Proverbiorum
Chapter 25
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbiorum 25

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Hæ quoque parabolæ Salomonis, quas transtulerunt viri Ezechiæ regis Juda.
1Ook de volgende spreuken zijn van Salomon; ze zijn verzameld door de beambten van Ezekias, den koning van Juda.
2[Gloria Dei est celare verbum, et gloria regum investigare sermonem.
2Het is de glorie van God, iets verborgen te houden, De glorie der koningen, het uit te zoeken.
3Cælum sursum, et terra deorsum, et cor regum inscrutabile.
3Zoals de hoogte der hemelen, en de diepte der aarde, Zo is ook het hart der koningen: ondoorgrondelijk.
4Aufer rubiginem de argento, et egredietur vas purissimum.
4Worden de slakken uit het zilver verwijderd, Dan slaagt de kunstenaar in zijn werk;
5Aufer impietatem de vultu regis, et firmabitur justitia thronus ejus.
5Verjaagt men de bozen uit de tegenwoordigheid van den koning, Dan staat zijn troon door rechtvaardigheid sterk.
6Ne gloriosus appareas coram rege, et in loco magnorum ne steteris.
6Dring u niet op bij den koning, En ga niet staan op de plaats van voornamen;
7Melius est enim ut dicatur tibi: Ascende huc, quam ut humilieris coram principe.]
7Het is beter, dat men tot u zegt: “Neem hier plaats, hogerop,” Dan dat men u voor een aanzienlijke vernedert. Wat uw ogen hebben gezien,
8[Quæ viderunt oculi tui ne proferas in jurgio cito, ne postea emendare non possis, cum dehonestaveris amicum tuum.
8Moet ge niet terstond voor het gerecht gaan brengen; Wat zult ge na afloop doen, Als uw naaste u in het ongelijk heeft gesteld?
9Causam tuam tracta cum amico tuo, et secretum extraneo ne reveles:
9Beslecht uw eigen zaak met den naaste, Maar maak daarbij het geheim van een derde niet openbaar;
10ne forte insultet tibi cum audierit, et exprobrare non cesset. Gratia et amicitia liberant: quas tibi serva, ne exprobrabilis fias.
10Anders zal hij, die het hoort, u beschimpen, En houdt ge voor altijd een slechte naam.
11Mala aurea in lectis argenteis, qui loquitur verbum in tempore suo.
11Gouden vruchten op zilveren schalen: Zijn woorden, te pas gesproken.
12Inauris aurea, et margaritum fulgens, qui arguit sapientem et aurem obedientem.
12Een gouden ring en een sieraad van edel metaal: Is een wijs vermaner voor een luisterend oor.
13Sicut frigus nivis in die messis, ita legatus fidelis ei qui misit eum: animam ipsius requiescere facit.
13Als koele sneeuw bij de hitte van de oogst Is een trouwe bode voor hem, die hem stuurt: Hij fleurt zijn meester weer op.
14Nubes, et ventus, et pluviæ non sequentes, vir gloriosus et promissa non complens.
14Wolken en wind, en toch geen regen: Dat is iemand, die praalt op een gift, waar toch niets van komt.
15Patientia lenietur princeps, et lingua mollis confringet duritiam.]
15Door lankmoedigheid laat een vorst zich vermurwen, Milde taal breekt beenderen stuk.
16[Mel invenisti: comede quod sufficit tibi, ne forte satiatus evomas illud.
16Hebt ge honing gevonden, eet dan niet meer dan ge aan kunt; Anders staat het u tegen, en geeft ge het over.
17Subtrahe pedem tuum de domo proximi tui, nequando satiatus oderit te.
17Kom niet te dikwijls in het huis van uw naaste; Anders krijgt hij genoeg van u, en gaat hij u haten.
18Jaculum, et gladius, et sagitta acuta, homo qui loquitur contra proximum suum falsum testimonium.
18Een knots, een zwaard en een scherpe pijl: Is iemand, die valse getuigenis geeft tegen zijn naaste.
19Dens putridus, et pes lassus, qui sperat super infideli in die angustiæ,
19Een slechte tand en een zwikkende voet: Is de steun van een trouweloze in moeilijke tijden.
20et amittit pallium in die frigoris. Acetum in nitro, qui cantat carmina cordi pessimo. Sicut tinea vestimento, et vermis ligno, ita tristitia viri nocet cordi.
20Als azijn op hoofdzeer Zo werkt het zingen van liederen op een slecht humeur.
21Si esurierit inimicus tuus, ciba illum; si sitierit, da ei aquam bibere:
21Heeft uw vijand honger, geef hem brood te eten, Heeft hij dorst, laat hem water drinken;
22prunas enim congregabis super caput ejus, et Dominus reddet tibi.
22Zo stapelt ge vurige kolen op zijn hoofd, En Jahweh zal het u vergelden.
23Ventus aquilo dissipat pluvias, et facies tristis linguam detrahentem.
23Noordenwind brengt een stortvloed, Een geniepige tong maakt boze gezichten.
24Melius est sedere in angulo domatis quam cum muliere litigiosa et in domo communi.
24Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning.
25Aqua frigida animæ sitienti, et nuntius bonus de terra longinqua.
25Een koele dronk voor een dorstige keel: Is goede tijding uit een ver land.
26Fons turbatus pede et vena corrupta, justus cadens coram impio.
26Een bedorven bron, een vervuilde wel: Is een rechtvaardige, die voor den boze wankelt.
27Sicut qui mel multum comedit non est ei bonum, sic qui scrutator est majestatis opprimetur a gloria.
27Te veel honing eten is niet gezond; Wees daarom spaarzaam met vleiende woorden.
28Sicut urbs patens et absque murorum ambitu, ita vir qui non potest in loquendo cohibere spiritum suum.]
28Als een stad met een bres, zonder muren: Is iemand zonder zelfbeheersing.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.