Proverbiorum
Chapter 14
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbiorum 14

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Sapiens mulier ædificat domum suam; insipiens exstructam quoque manibus destruet.
1De wijsheid bouwt zich een huis, De dwaasheid breekt het eigenhandig af.
2Ambulans recto itinere, et timens Deum, despicitur ab eo qui infami graditur via.
2Wie Jahweh vreest, gaat de rechte weg; Wie Hem veracht, gaat kronkelwegen.
3In ore stulti virga superbiæ; labia autem sapientium custodiunt eos.
3In de mond van een dwaas ligt een stok voor zijn rug, De wijzen worden door hun lippen beschermd.
4Ubi non sunt boves, præsepe vacuum est; ubi autem plurimæ segetes, ibi manifesta est fortitudo bovis.
4Waar geen runderen zijn, blijft de kribbe schoon; Rijke inkomsten dankt men aan de kracht van den os.
5Testis fidelis non mentitur; profert autem mendacium dolosus testis.
5Een eerlijk getuige liegt niet, Een vals getuige verspreidt leugens.
6Quærit derisor sapientiam, et non invenit; doctrina prudentium facilis.
6De spotter zoekt wijsheid, maar tevergeefs; Voor een wijze is de kennis gemakkelijk te vinden.
7Vade contra virum stultum, et nescit labia prudentiæ.
7Blijf uit de buurt van een dwaas, Want verstandige taal bespeurt ge er niet.
8Sapientia callidi est intelligere viam suam, et imprudentia stultorum errans.
8De wijsheid der schranderen wijst hun de weg, Maar de dommen worden door hun dwaasheid op een dwaalspoor geleid.
9Stultus illudet peccatum, et inter justos morabitur gratia.
9Het zoenoffer spot met de dwazen, Maar bij rechtvaardigen woont de genade.
10Cor quod novit amaritudinem animæ suæ, in gaudio ejus non miscebitur extraneus.
10Het hart kent zijn eigen droefheid alleen; Ook in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen.
11Domus impiorum delebitur: tabernacula vero justorum germinabunt.
11Het huis der bozen wordt verwoest, De tent der rechtvaardigen richt zich op.
12Est via quæ videtur homini justa, novissima autem ejus deducunt ad mortem.
12Soms houdt iemand een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood.
13Risus dolore miscebitur, et extrema gaudii luctus occupat.
13Ook als iemand lacht, kan hij verdriet hebben; Blijdschap loopt soms op droefheid uit.
14Viis suis replebitur stultus, et super eum erit vir bonus.]
14Een zondaar krijgt uit zijn wandel ruimschoots zijn deel, Maar ook een deugdzaam mens uit zijn daden.
15[Innocens credit omni verbo; astutus considerat gressus suos. Filio doloso nihil erit boni; servo autem sapienti prosperi erunt actus, et dirigetur via ejus.
15De onnozele gelooft alles wat er gezegd wordt; De wijze let op het antwoord, dat hij ontvangt.
16Sapiens timet, et declinat a malo; stultus transilit, et confidit.
16De wijze is behoedzaam en mijdt het kwaad, De dwaas is zorgeloos en gaat er op in.
17Impatiens operabitur stultitiam, et vir versutus odiosus est.
17De lichtgeraakte haalt dwaasheden uit, Een beleidvol mens is verdraagzaam.
18Possidebunt parvuli stultitiam, et exspectabunt astuti scientiam.
18De onnozelen valt dwaasheid ten deel, De wijze wordt met kennis gekroond.
19Jacebunt mali ante bonos, et impii ante portas justorum.
19De bozen moeten zich voor de deugdzamen buigen, De snoodaards voor de poorten der rechtvaardigen staan.
20Etiam proximo suo pauper odiosus erit: amici vero divitum multi.
20Zelfs bij zijn buur is een arme gehaat, Maar de vrienden van een rijkaard zijn talrijk.
21Qui despicit proximum suum peccat; qui autem miseretur pauperis beatus erit. Qui credit in Domino misericordiam diligit.
21Een zondaar geeft niet om zijn naaste; Zalig hij, die zich over de armen ontfermt!
22Errant qui operantur malum; misericordia et veritas præparant bona.
22Wie kwaad beramen, geraken op een doolweg; Die op het goede bedacht zijn, ondervinden liefde en trouw.
23In omni opere erit abundantia; ubi autem verba sunt plurima, ibi frequenter egestas.
23Van alle inspanning komt gewin, Praten brengt alleen maar gebrek.
24Corona sapientium divitiæ eorum; fatuitas stultorum imprudentia.
24Bedachtzaamheid is de kroon der wijzen, Dwaasheid de krans der dommen.
25Liberat animas testis fidelis, et profert mendacia versipellis.]
25Een betrouwbaar getuige redt mensenlevens; Maar wie leugen verspreidt, pleegt verraad.
26[In timore Domini fiducia fortitudinis, et filiis ejus erit spes.
26Op het ontzag voor Jahweh mag de sterke vertrouwen, Ook zijn kinderen vinden daarin een toevlucht.
27Timor Domini fons vitæ, ut declinent a ruina mortis.
27Het ontzag voor Jahweh is een bron van leven; Daardoor vermijdt men de strikken des doods.
28In multitudine populi dignitas regis, et in paucitate plebis ignominia principis.
28Trots gaat een vorst op een talrijke bevolking, Gebrek aan volk is het eind van een heerser.
29Qui patiens est multa gubernatur prudentia; qui autem impatiens est exaltat stultitiam suam.
29De lankmoedige is rijk aan doorzicht, De ongeduldige stapelt dwaasheden op.
30Vita carnium sanitas cordis; putredo ossium invidia.
30Een kalme natuur doet het lichaam goed, Hartstocht is een kanker voor het gebeente.
31Qui calumniatur egentem exprobrat factori ejus; honorat autem eum qui miseretur pauperis.
31Die een arme verdrukt, smaadt zijn Schepper; Maar wie zich over hem ontfermt, brengt Hem eer.
32In malitia sua expelletur impius: sperat autem justus in morte sua.
32Door zijn boosheid wordt de zondaar voortgejaagd, Maar de rechtvaardige vindt een toevlucht in zijn deugd.
33In corde prudentis requiescit sapientia, et indoctos quosque erudiet.
33In het hart van een verstandige vindt de wijsheid een rustplaats, In het binnenste der dwazen is zij niet bekend.
34Justitia elevat gentem; miseros autem facit populos peccatum.
34Rechtvaardigheid verheft een volk, De zonde brengt de naties tot schande.
35Acceptus est regi minister intelligens; iracundiam ejus inutilis sustinebit.]
35De koning heeft behagen in een verstandig dienaar, Maar zijn toorn doodt hem, die zich misdraagt.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.