Proverbiorum 28
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Fugit impius nemine persequente; justus autem, quasi leo confidens, absque terrore erit.
1De boze vlucht, ook al wordt hij niet vervolgd; De rechtvaardige voelt zich veilig als een leeuw.
2Propter peccata terræ multi principes ejus; et propter hominis sapientiam, et horum scientiam quæ dicuntur, vita ducis longior erit.
2De misdaad van tyrannen doet twisten ontstaan; Door een verstandig man worden ze bijgelegd
3Vir pauper calumnians pauperes similis est imbri vehementi in quo paratur fames.]
3Een man, die rijk is, maar de armen verdrukt, Is een regen, die wegspoelt, geen brood geeft.
4[Qui derelinquunt legem laudant impium; qui custodiunt, succenduntur contra eum.
4Die om de wet niet geven, prijzen den boze; Die de wet onderhouden, zijn kwaad op hem.
5Viri mali non cogitant judicium; qui autem inquirunt Dominum animadvertunt omnia.
5Slechte mensen verstaan geen recht, Maar die Jahweh zoeken begrijpen alles.
6Melior est pauper ambulans in simplicitate sua quam dives in pravis itineribus.
6Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
7Qui custodit legem filius sapiens est; qui autem comessatores pascit confundit patrem suum.
7Het kind, dat de Wet onderhoudt, is verstandig; Maar gaat het om met verkwisters, het maakt zijn vader beschaamd.
8Qui coacervat divitias usuris et fœnore, liberali in pauperes congregat eas.
8Wie zijn bezit vermeerdert met rente en toeslag, Spaart het op voor hem, die goed is voor de armen.
9Qui declinat aures suas ne audiat legem, oratio ejus erit execrabilis.
9Wie weigert, naar de Wet te luisteren, Is een gruwel, zelfs als hij bidt.
10Qui decipit justos in via mala, in interitu suo corruet, et simplices possidebunt bona ejus.
10Wie brave mensen op het slechte pad brengt, Valt zelf in zijn eigen kuil. Deugdzamen zullen het goede verwerven
11Sapiens sibi videtur vir dives; pauper autem prudens scrutabitur eum.
11Een rijkaard denkt, dat hij wijs is; Een arme, maar verstandige drommel doorziet hem.
12In exsultatione justorum multa gloria est; regnantibus impiis, ruinæ hominum.
12Als de rechtvaardigen juichen, is de welvaart groot; Krijgen bozen de macht, dan zijn de mensen zoek.
13Qui abscondit scelera sua non dirigetur; qui autem confessus fuerit et reliquerit ea, misericordiam consequetur.
13Wie zijn zonden verheimelijkt, zal geen voorspoed hebben; Wie ze belijdt en laat varen, zal vergiffenis krijgen.
14Beatus homo qui semper est pavidus; qui vero mentis est duræ corruet in malum.
14Gelukkig de mens, die altijd angstvallig is; Wie zijn hart afstompt, valt in het kwaad.
15Leo rugiens et ursus esuriens, princeps impius super populum pauperem.
15Een brullende leeuw en een roofzuchtige beer: Dat is een goddeloos heerser over een behoeftig volk.
16Dux indigens prudentia multos opprimet per calumniam; qui autem odit avaritiam, longi fient dies ejus.
16Een kortzichtig vorst maakt zich aan veel afpersing schuldig; Haat hij oneerlijke winst, dan leeft hij lang.
17Hominem qui calumniatur animæ sanguinem, si usque ad lacum fugerit, nemo sustinet.
17Een mens, die bezwaard is door bloedschuld, Moet tot het graf een vluchteling blijven, door niemand geholpen.
18Qui ambulat simpliciter salvus erit; qui perversis graditur viis concidet semel.
18Wie onberispelijk wandelt, wordt gered; Wie verkeerde wegen gaat, valt in een kuil.
19Qui operatur terram suam satiabitur panibus; qui autem sectatur otium replebitur egestate.]
19Wie een akker bebouwt, heeft eten genoeg; Wie zijn tijd verbeuzelt, zit volop in de armoe.
20[Vir fidelis multum laudabitur; qui autem festinat ditari non erit innocens.
20Een eerlijk mens wordt rijkelijk gezegend; Wie te spoedig rijk wil worden, blijft niet ongestraft.
21Qui cognoscit in judicio faciem non bene facit; iste et pro buccella panis deserit veritatem.
21Partijdigheid is altijd verkeerd: Voor een stuk brood kan iemand een misdrijf begaan.
22Vir qui festinat ditari, et aliis invidet, ignorat quod egestas superveniet ei.
22Een boosaardig mens wil spoedig rijk worden, Niet vermoedend, dat het gebrek hem wacht.
23Qui corripit hominem gratiam postea inveniet apud eum, magis quam ille qui per linguæ blandimenta decipit.
23Wie iemand vermaant, oogst later dank, Meer dan iemand met een gladde tong.
24Qui subtrahit aliquid a patre suo et a matre, et dicit hoc non esse peccatum, particeps homicidæ est.
24Wie zijn vader en moeder berooft, en zegt: “Het is niet verkeerd”, Is een gezel van den misdadiger.
25Qui se jactat et dilatat, jurgia concitat; qui vero sperat in Domino sanabitur.
25Een hebzuchtig mens stookt ruzie; Wie op Jahweh vertrouwt, heeft het goed.
26Qui confidit in corde suo stultus est; qui autem graditur sapienter, ipse salvabitur.
26Wie op zichzelf vertrouwt, is een domoor; Wie in wijsheid wandelt, wordt gered.
27Qui dat pauperi non indigebit; qui despicit deprecantem sustinebit penuriam.
27Wie aan een arme geeft, krijgt geen gebrek; Wie zijn ogen voor hem sluit, wordt diep vervloekt.
28Cum surrexerint impii, abscondentur homines; cum illi perierint, multiplicabuntur justi.]
28Krijgen bozen de macht, dan bergt zich de mens; Als zij ten onder gaan, worden de rechtvaardigen talrijk.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.