Приповісток
Chapter 28
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Приповісток 28

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Безбожник втїкає й тодї, як нїхто за ним не жене, а праведник сьміливий як лев.
1De boze vlucht, ook al wordt hij niet vervolgd; De rechtvaardige voelt zich veilig als een leeuw.
2Коли край одступить від закону, тодї в йому много старших, а з одним розумним і тямущим мужом — він довговічен.
2De misdaad van tyrannen doet twisten ontstaan; Door een verstandig man worden ze bijgelegd
3Убогий чоловік, що вбогих оббирає, — се ливень проливний, що хлїб на нивах змиває.
3Een man, die rijk is, maar de armen verdrukt, Is een regen, die wegspoelt, geen brood geeft.
4Відступники від закону безбожних вихваляють, а ті що певнять закон, — гнїв на них мають.
4Die om de wet niet geven, prijzen den boze; Die de wet onderhouden, zijn kwaad op hem.
5Ледачі люде не розуміють правди; хто вірен Господу, такий на все розумен.
5Slechte mensen verstaan geen recht, Maar die Jahweh zoeken begrijpen alles.
6Лучший той злиденник, що непорочен ходить, нїж багатир, що кривими путьми ступає.
6Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
7Додержуєш закон, — розумний син ти в батька, з ледачими дружиш, — отця твого соромиш.
7Het kind, dat de Wet onderhoudt, is verstandig; Maar gaat het om met verkwisters, het maakt zijn vader beschaamd.
8Хто маєтки свої намножує лихвами, збірає про того, хто помагає вбогим.
8Wie zijn bezit vermeerdert met rente en toeslag, Spaart het op voor hem, die goed is voor de armen.
9Хто ухо відхиляє, щоб не слухать закону, того й молитва — хиба лиш гидота.
9Wie weigert, naar de Wet te luisteren, Is een gruwel, zelfs als hij bidt.
10Хто праведних звів на беззаконну стежку, сам упаде в свою яму, а невинним таки добре буде.
10Wie brave mensen op het slechte pad brengt, Valt zelf in zijn eigen kuil. Deugdzamen zullen het goede verwerven
11Чоловік багатий — мудрий в очах своїх, та злиденник розумний його осоромить.
11Een rijkaard denkt, dat hij wijs is; Een arme, maar verstandige drommel doorziet hem.
12Як праведні веселяться, то й велика радість, як же в гору ростуть безбожні, ховаються люде.
12Als de rechtvaardigen juichen, is de welvaart groot; Krijgen bozen de macht, dan zijn de mensen zoek.
13Хто прикриває гріхи свої, не зазнає щастя, а хто признається й їх покине, той ласки доступить.
13Wie zijn zonden verheimelijkt, zal geen voorspoed hebben; Wie ze belijdt en laat varen, zal vergiffenis krijgen.
14Щасливий чоловік, що все в страсї ходить; хто ж серце запече, у біду попаде.
14Gelukkig de mens, die altijd angstvallig is; Wie zijn hart afstompt, valt in het kwaad.
15Як лев рикаючий й ведмідь голодний, так пан безбожний убогій людинї.
15Een brullende leeuw en een roofzuchtige beer: Dat is een goddeloos heerser over een behoeftig volk.
16Нерозумний володїтель тїснить людей многих, хто ж користї не любить, — життє продовжає.
16Een kortzichtig vorst maakt zich aan veel afpersing schuldig; Haat hij oneerlijke winst, dan leeft hij lang.
17Чоловік, що привинивсь проливом людської крови, — хоч би втїкав і в могилу, нїхто його не здержить.
17Een mens, die bezwaard is door bloedschuld, Moet tot het graf een vluchteling blijven, door niemand geholpen.
18Хто ходить в невинностї, не дознає шкоди, хто ж ступає путьми кривими, — на одній з них впаде.
18Wie onberispelijk wandelt, wordt gered; Wie verkeerde wegen gaat, valt in een kuil.
19Хто паше свою землю, мати ме що їсти, хто ж любуєсь у неробстві, глодати ме злиднї.
19Wie een akker bebouwt, heeft eten genoeg; Wie zijn tijd verbeuzelt, zit volop in de armoe.
20Вірний чоловік — богатий на спасибі, хто ж рад борзо збогатитись, той не уйде кари.
20Een eerlijk mens wordt rijkelijk gezegend; Wie te spoedig rijk wil worden, blijft niet ongestraft.
21Не добре, в судї вважати на особу; такий чоловік й за окраєць хлїба одступить від правди.
21Partijdigheid is altijd verkeerd: Voor een stuk brood kan iemand een misdrijf begaan.
22Завидливий наздогін біжить за багацтвом, і не в догад йому, що здогонить злиднї.
22Een boosaardig mens wil spoedig rijk worden, Niet vermoedend, dat het gebrek hem wacht.
23Хто другому дорікає, здобуде з часом більше ласки, як той, що лестить язиком.
23Wie iemand vermaant, oogst later dank, Meer dan iemand met een gladde tong.
24Хто в батька-матері вкраде, та й каже: „се не гріх‟, — той товариш рабівника.
24Wie zijn vader en moeder berooft, en zegt: “Het is niet verkeerd”, Is een gezel van den misdadiger.
25Надутий розпалює сварку, хто ж надїєсь на Господа, — добро йому буде.
25Een hebzuchtig mens stookt ruzie; Wie op Jahweh vertrouwt, heeft het goed.
26Хто лиш на себе вповає, той безумен, а хто ходить у мудростї — спасеться від злого.
26Wie op zichzelf vertrouwt, is een domoor; Wie in wijsheid wandelt, wordt gered.
27Хто вбогому дає, не знати ме нужди, хто ж одвертає очі свої од його, — того проклинають.
27Wie aan een arme geeft, krijgt geen gebrek; Wie zijn ogen voor hem sluit, wordt diep vervloekt.
28Як безбожні йдуть у гору, — ховаються люде; як же вони упадають, — праведник більшає.
28Krijgen bozen de macht, dan bergt zich de mens; Als zij ten onder gaan, worden de rechtvaardigen talrijk.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.