Йоіла
Chapter 1

Йоіла

Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Йоіла 1

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Слово Господнє до Йоіла Ватуіленка.
1Het woord van Jahweh, dat Joël ontving, de zoon van Petoeël.
2Чуйте се, люде старезні, та й ви осадники сієї землї. Чи бувало коли таке за вас або за днїв батьків ваших?
2Hoort dit, gij oudsten; Luistert allen, bewoners van het land! Is er ooit zo iets in uw dagen geschied, Of in de dagen van uw vaderen?
3Перекажіте се дїтям вашим; а дїти ваші нехай перекажуть своїм дїтям, а сих дїти — дальшому родові:
3Verhaalt het aan uw kinderen, zij aan hun zonen, Hun zonen weer aan een volgend geslacht!
4Що полишила гусїниця, їла сарана; що полишила сарана, точили черви, що ж од червів зоставалось, жуки те доїли.
4Wat de knaagbek overliet, Heeft de sprinkhaan verslonden; Wat de sprinkhaan spaarde, Schrokte de langpoot op; Wat de langpoot liet staan, Vrat de kaalvreter af.
5Прокиньтесь, пяницї, й плачте-голосїте, ви всї, що любите вино попивати, затужіть по виноградньому сокові, бо його однято од уст у вас!
5Op dronkaards, uit uw slaap, en weent; Jammert allen, gij slempers: Om de most, Die uw mond voorbijgaat!
6Бо наступив на мою землю народ дужий, що його й не злїчиш. Зуби в його — левині, челюстї в його, як у левицї.
6Want een volk heeft mijn land overrompeld, Geweldig, ontelbaar! Zijn tanden zijn als die van een leeuw, Zijn kaken als van een leeuwin.
7Мій виноградник він спустошив, фиґовину обломив, облупив її з кори й відкинув, — тільки галузки її білїють.
7Het heeft mijn wijnstok verwoest, Mijn vijgeboom geknakt; Het heeft ze ontveld en vernield: Wit zijn hun takken.
8О! голоси, як молодиця, приперезана веретищем, по мужові молодощів своїх!
8Jammert als een maagd in haar rouw Om de bruidegom van haar jeugd!
9Перестали приноси хлїбні та ливні жертви в дому Господньому; плачуть сьвященники, служителї Господнї.
9Spijs- en drankoffer is heen Uit Jahweh’s huis; In rouw zijn de priesters, De dienaars van Jahweh.
10Поле облогом лежить, землиця сумує; витоптано збіжжє, сок виноградний висох та й оливина повяла.
10Het land is ontredderd, Het veld ligt in rouw; Want vernield is het koren, De most mislukt, de olie verdroogd.
11Румянїтесь із заводу, ви, хлїбороби; ридайте, виноградарі; плачте по пшеницї й ячменї — пропали жнива в полї.
11Onthutst staat de landman, de wijnboeren klagen: Over tarwe en gerst; want de oogst ging verloren.
12Зсохла лоза виноградня, фиґовина повяла; гранатнє дерево, пальма та яблонь — всї дерева в полї повсихали; тим то й в синів людських всї радощі зникли.
12De wijnstok verdort, De vijgeboom kwijnt; Granaat en palm en appel, Alle bomen op het veld drogen uit. Ja, beschaamd vlucht de vreugde Van de mensenkinderen heen!
13Попідперізуйтеся веретищами й плачте, сьвященники! ридайте, слуги олтаря! ійдїть, в волосяницях ночуйте, слуги Бога мого! не стало нї хлїба, нї ливних жертов в дому Бога вашого.
13Priesters, omgordt u met rouw, Jammert, die het altaar bedient; Gaat slapen in zakken, Gij, dienaars van mijn God; Want uit het huis van uw God Zijn spijs- en drankoffer heen!
14Визначіте піст, оповістїть сходини громадські, скличте старшину й усїх осадників землї в дом Господа, Бога вашого, й благайте Господа.
14Schrijft een vastendag uit, Roept de menigte samen; Vergadert de oudsten, Alle inwoners van het land In het huis van Jahweh, uw God, En roept Jahweh aan!
15О, що за день! а близько він, сей день Господень; мов хуртовина, прийде він од Всемогучого, й усе спустошить.
15Wee, wat een dag; Want nabij is de Dag van Jahweh! Als een orkaan rukt hij van den Almachtige uit!
16Чи ж не зникає вже перед нашими очима пожива з дому Бога нашого, а з нею радощі й веселощі?
16Is voor ons oog de spijs niet verdwenen, Uit het huis van onzen God De blijdschap en jubel niet heen?
17Зерно зітлїло під скибами своїми, спорожнїли засїки, повалено стодоли, бо не стало збіжжя.
17De graanbakken rotten weg onder hun vuil, De zolders staan leeg, de schuren vervallen, Want het graan is mislukt.
18О, як реве скотина, сумує стадо худоби, що нема їм паші, та й отари валяться з ніг.
18Hoe loeit het vee, en is de kudde onrustig; Ze hebben geen wei, Zelfs de schapen lijden gebrek.
19До тебе, Господи, кличу: ось огонь попалив травні пасовища по степу, поломє посмалило всї дерева в полї.
19Tot U, Jahweh, verhef ik mijn stem! Want het vuur heeft de vruchtbare plekken verzengd, De brand alle bomen op het veld verschroeid.
20Ба вже й зьвіррє полеве покликає до тебе, бо повисихали води в потоках, а огонь випалив у степу всю зелень.
20Zelfs de wilde dieren blikken smachtend naar U op; Want de waterbeken zijn uitgedroogd, En het vuur heeft de vruchtbare plekken geblakerd.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.