2 Мойсея 1
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Се ймена в синів Ізраїлевих, що поприходили в Египет вкупі з Яковом. Кожен з усїм домом своїм прийшов.
1Dit zijn de namen van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin:
2Рубен, Симеон, Левій, Юда,
2Ruben, Simeon, Levi en Juda,
3Іссахар, Зебулон та Бенямин,
3Issakar, Zabulon en Benjamin,
4Дан та Нефталїй, Гад та Ассер.
4Dan en Neftali, Gad en Aser.
5Було ж усїх душ, що повиходили з чересел Яковових, сїмдесять душ. Йосиф же був в Египтї.
5In het geheel waren het zeventig rechtstreekse afstammelingen van Jakob; Josef was toen reeds in Egypte.
6І вмер Йосиф, і всї брати його, і весь той рід.
6Nadat Josef met al zijn broers en heel dat geslacht was gestorven,
7Ізрайлитяне ж та були плодющі, і розростались і намножувались, і впотужнювались переважливо, і сповнилась ними земля.
7werden de kinderen Israëls vruchtbaar en vermenigvuldigden zij zich; ze werden zó talrijk en een zó grote menigte, dat het land met hen overstroomd werd.
8Устав же царь новий над Египтом, що не знав Йосифа.
8Toen kwam er een nieuwe koning in Egypte aan het bewind, die Josef niet meer had gekend.
9І каже народові свойму: Та се ж нарід Ізраїльський більший і потужнїщий над нас.
9Hij sprak tot zijn volk: Zie, het volk van Israël is talrijker dan wij en wordt ons te sterk.
10Нумо перехитрувати їх, ато намножаться і як випаде нам війна, так пристануть і вони до ворогів і бити муть на нас, та й вийдуть із нашої землї.
10We moeten dus met beleid tegen hen optreden, anders worden zij nog talrijker en sluiten ze zich, als wij in oorlog raken, bij onze vijanden aan, gaan ons bestrijden, en trekken dan weg uit het land.
11І поставлено над ними приставникїв в роботї, щоб їх мучили паньщиною своєю; і збудували вони харчові городи Фараонові: Питом і Раємзес.
11Men stelde dus slavendrijvers over hen aan, om hen met dwangarbeid er onder te houden; en zo moesten zij voor Farao de opslagplaatsen Pitom en Raämses bouwen.
12Но що більш мучили їх, то все більш намножувались вони і вбивались у силу. І стало потїсно Египтянам од Ізрайлитян.
12Maar hoe meer men ze verdrukte, hoe talrijker ze werden en hoe sterker zij zich vermenigvuldigden, zodat men de Israëlieten begon te vrezen.
13І приневолювали Египтяне Ізрайлитян аж надто до роботи.
13Zo maakten de Egyptenaren de kinderen Israëls met geweld tot hun slaven;
14І гірко було їм жити в тяжкій неволї, на глинищах та цегельнях, та й у всякій польовій роботї, що приганяли їх до неї під пригоном.
14zij verbitterden hun leven door ze zwaar in leem en tichels te laten werken en door allerlei veldarbeid: allemaal slavenwerk, waartoe men hen met geweld dwong.
15І каже царь Египецький бабам сповитухам Єврейським, одна була на імя Сифра, друга на імя Пуя,
15Nu sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen Sjifra en Poea, die de hebreeuwse vrouwen hielpen:
16І каже: Як бабувати мете в Єврейських жінок, дак придивляйтесь: коли син, убивайте, а дочка, нехай жиє.
16Wanneer gij de hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, let dan op het geslacht van het kind. Als het een jongen is, moet ge het doden; is het een meisje, dan mag het blijven leven.
17Та побоялись баби сповитухи Бога, і не чинили так, як повелїв їм царь Египецький, а лишали при життю хлопяток.
17Maar de vroedvrouwen vreesden God; ze deden niet wat de koning van Egypte haar had bevolen en lieten ook de jongens in leven.
18І прикликав царь Египецький баби сповитухи, та й каже їм: Про що ви таке чините й лишаєте живих хлопяток?
18Daarom liet de koning van Egypte de vroedvrouwen roepen, en zeide tot haar: Waarom doet gij dit, en laat ge de jongens in leven?
19І кажуть баби сповитухи Фараонові: Бо Єврейки не такі, як Египтянки: молодицї вони моторні; нїм прийде баба, вони родять.
19De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: De hebreeuwse vrouwen zijn niet als die van Egypte, maar eerder als dieren; voordat de vroedvrouw bij haar is, hebben zij het kind al gebaard.
20І допомагав Бог бабам сповитухам, і намножувались люде й употужнювались велико.
20En God beloonde de vroedvrouwen. En terwijl het volk zich vermenigvuldigde en hoe langer hoe talrijker werd,
21А за те, що боялись баби сповитухи Бога, погоджував їм Бог у домівках.
21maakte God de vroedvrouwen tot stammoeders, omdat ze Hem hadden gevreesd.
22І повелїв Фараон усьому народові свойму словами: Усякого сина, що народиться в Євреїв, кидайте в ріку, а всяку дочку доглядайте.
22Toen gaf Farao aan heel zijn volk het bevel: Werpt iederen jongen, die bij de Hebreën geboren wordt, in de Nijl, maar laat de meisjes in leven.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.