2 Мойсея 33
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І рече Господь Мойсейові: Ійди, здіймайсь ізвідсї, ти й люде, що ведеш з Египецької землї в землю, що про неї я клявся Авраамові, Ізаакові і Яковові, глаголючи: Насїнню твойму оддам її.
1En Jahweh vervolgde tot Moses: Ga, trek op van hier met het volk, dat gij uit Egypte hebt geleid, naar het land, dat Ik Abraham, Isaäk en Jakob onder ede beloofd heb aan hun nageslacht te zullen schenken.
2І пошлю перед тобою ангела та й повиганяю Канааніїв, Аморіїв, і Хетіїв, і Ферезіїв і Гевіїв і Євузіїв.
2Ik zal dus een engel voor u uitzenden, die de Kanaänieten, Amorieten, Chittieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten zal verdrijven,
3Ійди в землю, де тече молоко і мід; сам бо не пійду серед вас, тим що ви запеклий народ, дак щоб не вигубити менї вас в дорозї.
3en u voeren naar het land, dat van melk en honing overvloeit. Maar Ik trek zelf niet in uw midden mee, want ge zijt een weerbarstig volk, en Ik zou u misschien onderweg nog verdelgen.
4І почули люде се гірке слово, та й засуміли, і нїхто не надївав своїх окрас.
4Toen het volk deze vreselijke tijding vernam, bedreven zij rouw, en niemand deed zijn sieraden aan.
5Рече бо Господь Мойсейові: Промов до синів Ізрайлевих: Ви народ запеклий; коли б ійшов я одну тілько минуту проміж вами, дак вигубив би вас. Оце ж поздіймайте свої окраси з себе, я ж знаю, що чинити му з вами.
5Toen sprak Jahweh tot Moses: Zeg aan de Israëlieten: Gij zijt een weerbarstig volk; als Ik slechts een ogenblik in uw midden meetrok, zou Ik u verdelgen; maar leg uw sieraden af, dan zal Ik zien, wat Ik voor u kan doen.
6І позривали сини Ізрайлеві свої окраси з себе почавши від Гореб гори.
6Daarom droegen de Israëlieten van de berg Horeb af geen sieraden meer.
7Мойсей же взяв намета й напяв його за кошем, оддалеки від коша, та й назвав його соборним наметом. І сталося, кожен, хто шукав Господа, виходив до намета, що був за кошем.
7Daarom nam Moses zijn tent, sloeg ze op enige afstand buiten de legerplaats op, en noemde ze openbaringstent; en iedereen, die Jahweh wilde raadplegen, moest zich naar de openbaringstent begeven, die buiten de legerplaats lag.
8І сталось, як виходив Мойсей з намету, вставали всї люде, і стояло кожне коло входу у свій намет і дививсь всьлід Мойсейові, аж покіль увійде він у намет.
8Telkens nu als Moses zich naar de tent begaf, kwam al het volk aan de ingang van zijn tenten staan en staarde Moses na, tot hij de tent was binnengegaan.
9А як увіходив Мойсей у намет, дак спускався хмарний стовп, і зупинявсь коло входу в намет, і розмовляв Господь із Мойсейом.
9Zodra Moses dan binnen de tent was gekomen, daalde de wolkkolom neer, en plaatste zich voor de ingang van de tent, waar Jahweh dan met Moses sprak.
10І вбачаючи весь люд стовпа хмарного, що стояв коло входу в намет, вставав увесь люд і падали ниць, кожне коло входу в свій намет.
10Wanneer nu het hele volk de wolkkolom aan de ingang van de tent zag geplaatst, stond het hele volk overeind, en wierpen allen zich aan de ingang van hun tenten neer.
11І розмовляв Господь із Мойсейом лицем до лиця, так як говорить чоловік з чоловіком; і вертався він до коша. Слуга ж його Йосуа Нуненко, молодик, не виходив із середини намету.
11Dan sprak Jahweh tot Moses van aanschijn tot aanschijn, zoals iemand spreekt met zijn vriend; daarna keerde Moses naar de legerplaats terug, terwijl zijn dienaar, de jeugdige Josuë, de zoon van Noen, de tent nooit verliet.
12І рече Мойсей Господеві: Дивись, глаголав єси менї: Веди люд сей, та не сповістив мене, кого посилаєш зо мною. Ти ж глаголав: Знаю тебе на імя, та ще й ласку знайшов єси в очах моїх.
12Moses sprak tot Jahweh: Zie, Gij beveelt mij, dit volk te doen optrekken, maar Gij laat me niet weten, wien Gij met mij mee zult zenden. Toch hebt Gij mij gezegd: Ik heb u uitverkoren, en gij hebt genade gevonden in mijn ogen.
13Оце ж, коли знайшов я ласку в очах твоїх, дак дай менї взнати дороги твої, щоб пізнав тебе, та й знайшов ласку в очах твоїх, та зглянься й на те, що се люде твої!
13Welnu, als ik genade heb gevonden in uw ogen, maak mij dan uw plannen bekend, opdat ik kan zien, of ik genade heb gevonden in uw ogen, en wete, of dit volk het uwe nog is.
14І рече: Лице моє йти ме з тобою, і я дбати му про упокій твій.
14Nu sprak Hij: Moet Ik dan zelf met u mee, om u tevreden te stellen?
15І рече до його: Коли не йти ме лице твоє, так і не веди нас ізвідти.
15Moses antwoordde Hem: Wanneer Gij zelf niet met ons meegaat, doe ons dan niet van hier vertrekken.
16Бо чим же впевняться, що знайшов я ласку в очах твоїх, я й люде твої? Чи не тим же, що пійдеш ти з нами, і відрізнимось ми, я й люде твої, від усякого народа, який є на земному лицї?
16Waaraan zal men anders erkennen, dat ik met uw volk genade gevonden heb in uw ogen, en dat ik en uw volk uitverkoren zijn onder alle volken der aarde, tenzij Gij met ons optrekt?
17І рече Господь Мойсейові: І те, що промовив єси, сотворю; бо знайшов єси ласку в очу в мене, і знаю я на імя тебе.
17Toen sprak Jahweh tot Moses: Ook dit verzoek sta Ik u toe; want gij hebt genade gevonden in mijn ogen, en Ik heb u uitverkoren.
18І рече він: Покажи ж менї славу твою!
18Nu vroeg Moses: Laat mij dan uw Glorie aanschouwen.
19І рече: Проведу всю милость мою перед лицем твоїм і проголошу імя Господа перед тобою; і милувати му, кого милувати, і милосердувати мусь, над ким милосердуватись. І рече:
19Hij antwoordde: Ik zal al mijn Majesteit aan u doen voorbijgaan, en ten aanhoren van u de naam Jahweh uitroepen; want Ik ben genadig, wien Ik genadig, en barmhartig, wien Ik barmhartig wil zijn.
20Не можна тобі бачити лице моє: бо не жити ме вже людина, що бачила лице моє.
20En Hij ging voort: Mijn aanschijn kunt ge niet aanschouwen, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.
21І рече Господь: Ось місце коло мене, і будеш стояти на скелї:
21En Jahweh vervolgde: Bij Mij is een plaats, waar gij op de rots kunt staan.
22І як проходити ме слава моя, поставлю тебе в щелинї скелї, та й затулю долонею моєю лице тобі, поки не перейду.
22Wanneer mijn Glorie zal voorbijgaan, zal Ik u in een rotsholte plaatsen, en met mijn hand u bedekken, tot Ik voorbij ben.
23А як відтулю долоню мою, дак бачити меш мене ззаду, лиця ж мого не бачити меш.
23Dan neem Ik mijn hand van u weg, en kunt ge Mij van achteren zien; want mijn aanschijn kan niemand aanschouwen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.