2. Мојсијева
Chapter 1
Daničić–Karadžić Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2. Мојсијева 1

Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ово су имена синова Израиљевих који дођоше у Мисир, дођоше с Јаковом, сваки са својом породицом:
1Dit zijn de namen van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin:
2Рувим, Симеун, Левије и Јуда,
2Ruben, Simeon, Levi en Juda,
3Исахар, Завулон и Венијамин,
3Issakar, Zabulon en Benjamin,
4Дан и Нефталим, Гад и Асир.
4Dan en Neftali, Gad en Aser.
5А свега беше их од бедара Јаковљевих седамдесет душа с Јосифом, који беше у Мисиру.
5In het geheel waren het zeventig rechtstreekse afstammelingen van Jakob; Josef was toen reeds in Egypte.
6А Јосиф умре и сва браћа његова и сав онај нараштај.
6Nadat Josef met al zijn broers en heel dat geslacht was gestorven,
7И синови Израиљеви народише се и умножише се, и напредоваше и осилише веома, да их се земља напуни.
7werden de kinderen Israëls vruchtbaar en vermenigvuldigden zij zich; ze werden zó talrijk en een zó grote menigte, dat het land met hen overstroomd werd.
8Тада наста нов цар у Мисиру, који не знаше за Јосифа;
8Toen kwam er een nieuwe koning in Egypte aan het bewind, die Josef niet meer had gekend.
9и рече народу свом: Гле, народ синова Израиљевих већи је и силнији од нас.
9Hij sprak tot zijn volk: Zie, het volk van Israël is talrijker dan wij en wordt ons te sterk.
10Него хајде мудро да поступамо с њима, да се не множе, и кад настане рат да не пристану с непријатељима нашим и не ударе на нас и не оду из земље.
10We moeten dus met beleid tegen hen optreden, anders worden zij nog talrijker en sluiten ze zich, als wij in oorlog raken, bij onze vijanden aan, gaan ons bestrijden, en trekken dan weg uit het land.
11И поставише над њима настојнике да их муче тешким пословима; и грађаше народ Израиљев Фараону градове Питом и Рамесу.
11Men stelde dus slavendrijvers over hen aan, om hen met dwangarbeid er onder te houden; en zo moesten zij voor Farao de opslagplaatsen Pitom en Raämses bouwen.
12Али што га више мучаху то се више множаше и напредоваше, да се грожаху од синова Израиљевих.
12Maar hoe meer men ze verdrukte, hoe talrijker ze werden en hoe sterker zij zich vermenigvuldigden, zodat men de Israëlieten begon te vrezen.
13И жестоко нагоњаху Мисирци синове Израиљеве на послове,
13Zo maakten de Egyptenaren de kinderen Israëls met geweld tot hun slaven;
14и загорчаваху им живот тешким пословима, блатом и опекама и сваким радом у пољу, и сваким другим послом, на који их жестоко нагоњаху.
14zij verbitterden hun leven door ze zwaar in leem en tichels te laten werken en door allerlei veldarbeid: allemaal slavenwerk, waartoe men hen met geweld dwong.
15И још заповеди цар мисирски бабицама јеврејским, од којих једној беше име Сефора, а другој Фува,
15Nu sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen Sjifra en Poea, die de hebreeuwse vrouwen hielpen:
16и рече: Кад бабичите Јеврејке, и у порођају видите да је мушко, убијте га, а кад буде женско, нек остане живо.
16Wanneer gij de hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, let dan op het geslacht van het kind. Als het een jongen is, moet ge het doden; is het een meisje, dan mag het blijven leven.
17Али се бабице бојаху Бога, и не чињаху како им рече цар мисирски, него остављаху децу у животу.
17Maar de vroedvrouwen vreesden God; ze deden niet wat de koning van Egypte haar had bevolen en lieten ook de jongens in leven.
18А цар мисирски дозва бабице, и рече им: Зашто то чините, те остављате у животу мушку децу?
18Daarom liet de koning van Egypte de vroedvrouwen roepen, en zeide tot haar: Waarom doet gij dit, en laat ge de jongens in leven?
19А бабице рекоше Фараону: Јеврејке нису као жене Мисирке; јаче су; док им дође бабица, оне већ роде.
19De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: De hebreeuwse vrouwen zijn niet als die van Egypte, maar eerder als dieren; voordat de vroedvrouw bij haar is, hebben zij het kind al gebaard.
20И Бог учини добро бабицама; и народ се умножи и осили веома;
20En God beloonde de vroedvrouwen. En terwijl het volk zich vermenigvuldigde en hoe langer hoe talrijker werd,
21и што се бабице бојаху Бога, начини им куће.
21maakte God de vroedvrouwen tot stammoeders, omdat ze Hem hadden gevreesd.
22Тада заповеди Фараон свему народу свом говорећи: Сваког сина који се роди баците у воду, а кћери све остављајте у животу.
22Toen gaf Farao aan heel zijn volk het bevel: Werpt iederen jongen, die bij de Hebreën geboren wordt, in de Nijl, maar laat de meisjes in leven.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.