2. Мојсијева
Chapter 22
Daničić–Karadžić Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2. Мојсијева 22

Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ко украде вола или овцу или козу, и закоље или прода, да врати пет волова за једног вола, а четири овце или козе за једну овцу или козу.
1Wanneer iemand een rund of een schaap steelt, en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap.
2Ако се лупеж ухвати где поткопава, те буде рањен тако да умре, да не буде крив за крв онај који га буде убио;
2Wordt een dief bij een nachtelijke inbraak betrapt en doodgeslagen, dan treft wie hem doodt, geen bloedschuld;
3али ако се буде сунце родило, да је крив за крв. А лупеж све да накнади; ако ли не би имао, онда да се он прода за своју крађу.
3maar zo de zon reeds was opgegaan, dan treft hem die wel. De dief zal het volle bedrag moeten terugbetalen. Bezit hij het niet, dan moet hij worden verkocht, om het gestolene te vergoeden.
4Ако се нађе шта је покрао у његовој руци живо, био во или магарац или овца или коза, да врати двоструко.
4Zo het gestolene, rund, ezel of schaap nog levend in zijn bezit wordt gevonden, zal hij het dubbele moeten geven.
5Ко потре њиву или виноград пустивши стоку своју да пасе по туђој њиви, да накнади најбољим са своје њиве и најбољим из свог винограда.
5Wanneer iemand bij het afweiden van veld of wijngaard zijn vee los laat rondlopen, en dit het veld van een ander afgraast, dan moet hij de hoogste opbrengst van zijn veld en de hoogste opbrengst van zijn wijngaard als schadevergoeding geven.
6Ако изађе ватра и наиђе на трње, па изгори стог или жито које још стоји или њива, да накнади онај који је запалио.
6Wanneer er een vuur wordt aangestoken, om de doornen te verbranden, en het vernielt de garven, het ongemaaide koren of het hele veld, dan moet hij, die het vuur heeft aangestoken, het verbrande volledig vergoeden.
7Ако ко да ближњему свом новце или посуђе на оставу, па се украде из куће његове, ако се нађе лупеж, да плати двојином;
7Wanneer iemand aan een ander geld of goed in bewaring heeft gegeven, en het wordt uit het huis van dien man gestolen, dan moet de dief, als hij wordt ontdekt, het dubbel vergoeden.
8ако ли се не нађе лупеж, онда господар од оне куће да стане пред судије да се закуне да није посегао руком својом на ствар ближњег свог.
8Wordt de dief niet ontdekt, dan zal de heer des huizes voor God verschijnen en zweren, dat hij zich het goed van een ander niet heeft toegeëigend.
9За сваку ствар за коју би била распра, или за вола или за магарца или за овцу или за козу, или за хаљину, за сваку ствар изгубљену, кад ко каже да је његова, пред судије да дође распра обојице, па кога осуде судије, онај да врати ближњему свом двојином.
9Als er iets gestolen is, hetzij een stier, een ezel, een schaap, een kledingstuk of als er iets verloren is gegaan, en de verliezer zegt daarvan: “Dit is het”, dan moet het geschil tussen beide betrokkenen voor God worden gebracht; en wien God schuldig verklaart, moet het dubbele aan den ander vergoeden.
10Ако ко да ближњему свом да чува магарца или вола или овцу или козу или како год живинче, па угине или охроне, или га ко отера а да нико не види,
10Wanneer iemand een ezel, een stier of een schaap of wat voor dier ook, aan de hoede van een ander toevertrouwt, en het beest sterft, breekt zijn poten of wordt weggeroofd, zonder dat iemand het ziet,
11заклетва Господња нека буде између њих, да није посегао руком својом на ствар ближњег свог, и господар од ствари нека пристане, а онај да не плати.
11dan zal een eed voor Jahweh tussen hen beiden beslissen, of die ander zijn hand niet aan het goed van zijn naaste heeft geslagen; de eigenaar moet er genoegen mee nemen, en de ander behoeft niets te vergoeden.
12Ако ли му буде украдено, нека плати господару његовом.
12Zo het hem is ontstolen, moet hij het den eigenaar wel vergoeden.
13Ако ли га буде растргла зверка да донесе од њега сведоџбу, и да не плати шта је растргнуто.
13Is het door een roofdier verscheurd, dan kan hij het verscheurde beest als bewijs laten gelden, en behoeft hij het niet te vergoeden.
14Ако ко узме од ближњег свог живинче на послугу, па охроне или угине, а господар му не буде код њега, да плати.
14Wanneer iemand van een ander een rund te leen vraagt, en het breekt zijn poten of sterft, terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het vergoeden.
15Ако ли господар буде код њега, да не плати. Ако ли буде најмљено, да плати само најам.
15Was de eigenaar er bij, dan behoeft hij het niet te vergoeden. Is het echter gehuurd, dan is de schade in de huurprijs inbegrepen.
16Ко би преварио девојку, која није заручена, те би спавао с њом, да јој да мираз и узме је за жену.
16Wanneer iemand een meisje, dat nog niet is verloofd, verleidt en misbruikt, dan moet hij haar huwen en de volle bruidsprijs betalen.
17А ако му је отац њен не би хтео дати, да да новаца колико иде у мираз девојци.
17Weigert de vader haar te geven, dan moet hij toch zoveel betalen, als de bruidsprijs voor een meisje bedraagt.
18Вештици не дај да живи.
18Geen tovenares zult ge in leven laten.
19Ко би облежао живинче, да се погуби.
19Iedereen die een dier misbruikt zal met de dood worden gestraft.
20Ко жртву приноси боговима другим осим јединог Господа, да се истреби као проклетник.
20Iedereen die aan goden offert, behalve aan Jahweh alleen, zal met de banvloek worden geslagen.
21Дошљаку немој чинити криво нити га уцвелити, јер сте били дошљаци у земљи мисирској.
21Den vreemdeling moogt ge niet verdrukken en kwellen; want zelf zijt ge vreemdelingen geweest in het land van Egypte.
22Немојте уцвелити удовице и сироте.
22Weduwen en wezen zult ge nimmer verdrukken.
23Ако ли коју уцвелиш у чем год, и повиче к мени, чућу вику њену,
23Zo ge hen toch durft verdrukken en zij vol angst tot Mij roepen, zal Ik hun schreien zeker verhoren.
24и запалиће се гнев мој, и побићу вас мачем, па ће ваше жене бити удовице и ваша деца сироте.
24Mijn toorn zal ontbranden, en met het zwaard zal Ik u doden; uw vrouwen zullen weduwen worden en uw kinderen wezen.
25Кад даш у зајам новаца народу мом, сиромаху који је код тебе, немој му бити као каматник, не ударајте на њ камате.
25Wanneer gij geld leent aan een arme van mijn volk onder u, zult ge u tegenover hem niet als geldschieter gedragen, en geen rente van hem vragen.
26Ако узмеш у залогу хаљину ближњему свом, врати му је пре него сунце зађе;
26Zo ge de mantel van een ander in pand hebt genomen, moet ge hem die voor zonsondergang teruggeven;
27јер му је то све одело чим заклања тело своје; у чем ће спавати? Па кад повиче к мени, ја ћу га чути, јер сам милостив.
27want het is zijn enig kleed, de bedekking voor zijn blote lijf, waarin hij moet slapen. Als hij tot Mij roept, zal Ik hem verhoren; want Ik ben barmhartig.
28Немој псовати судије, и старешини народа свог не говори ружно.
28Gij zult God niet vervloeken, en de overheid van uw volk niet verwensen.
29Од летине своје и од житких ствари својих немој се затезати да принесеш првине; првенца између синова својих мени да даш.
29Met de eerstelingen van uw dorsvloer en perskuip zult ge niet achterstallig blijven. Den eerstgeborene van uw zonen zult ge Mij afstaan.
30Тако чини с волом својим и с овцом и с козом; седам дана нека буде с мајком својом, а осмог дана да га даш мени.
30Hetzelfde zult ge doen met uw runderen en uw schapen: zeven dagen mag het jong bij zijn moeder blijven, op de achtste dag zult ge het Mij geven.
31Бићете ми свети људи; меса у пољу растргнута не једите, баците га псима.
31Reine mensen zult ge Mij zijn. Het vlees van een dier, dat op het veld ligt verscheurd, moogt ge niet eten; maar ge moet het voor de honden werpen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.