Êxodo 22
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1“Se um homem roubar um boi ou uma ovelha, e matá-lo ou vendê-lo, pagará cinco bois por um boi, e quatro ovelhas por uma ovelha.
1Wanneer iemand een rund of een schaap steelt, en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap.
2Se o ladrão for pego arrombando, e for ferido de modo que morra, não haverá culpa de derramamento de sangue por ele.
2Wordt een dief bij een nachtelijke inbraak betrapt en doodgeslagen, dan treft wie hem doodt, geen bloedschuld;
3Se o sol já tiver nascido sobre ele, haverá culpa de derramamento de sangue. Ele deverá fazer restituição. Se não tiver nada, então será vendido por seu roubo.
3maar zo de zon reeds was opgegaan, dan treft hem die wel. De dief zal het volle bedrag moeten terugbetalen. Bezit hij het niet, dan moet hij worden verkocht, om het gestolene te vergoeden.
4Se a propriedade roubada for encontrada viva em sua mão, seja boi, jumento ou ovelha, ele pagará o dobro.
4Zo het gestolene, rund, ezel of schaap nog levend in zijn bezit wordt gevonden, zal hij het dubbele moeten geven.
5“Se um homem fizer com que um campo ou vinha seja pastado, soltando o seu animal, e este pastar no campo de outro homem, ele fará restituição com o melhor do seu próprio campo e com o melhor da sua própria vinha.
5Wanneer iemand bij het afweiden van veld of wijngaard zijn vee los laat rondlopen, en dit het veld van een ander afgraast, dan moet hij de hoogste opbrengst van zijn veld en de hoogste opbrengst van zijn wijngaard als schadevergoeding geven.
6“Se um fogo irromper e pegar nos espinheiros, de modo que os feixes de grãos, ou o grão em pé, ou o campo sejam consumidos; aquele que acendeu o fogo certamente fará restituição.
6Wanneer er een vuur wordt aangestoken, om de doornen te verbranden, en het vernielt de garven, het ongemaaide koren of het hele veld, dan moet hij, die het vuur heeft aangestoken, het verbrande volledig vergoeden.
7“Se um homem entregar ao seu próximo dinheiro ou bens para guardar, e isso for roubado da casa do homem, se o ladrão for encontrado, ele pagará o dobro.
7Wanneer iemand aan een ander geld of goed in bewaring heeft gegeven, en het wordt uit het huis van dien man gestolen, dan moet de dief, als hij wordt ontdekt, het dubbel vergoeden.
8Se o ladrão não for encontrado, então o dono da casa se aproximará de Deus, para descobrir se ele colocou ou não a mão nos bens do seu próximo.
8Wordt de dief niet ontdekt, dan zal de heer des huizes voor God verschijnen en zweren, dat hij zich het goed van een ander niet heeft toegeëigend.
9Em todo caso de transgressão, seja por boi, por jumento, por ovelha, por roupa, ou por qualquer tipo de coisa perdida, sobre a qual alguém diga: ‘Isto é meu’, a causa de ambas as partes virá diante de Deus. Aquele a quem Deus condenar pagará o dobro ao seu próximo.
9Als er iets gestolen is, hetzij een stier, een ezel, een schaap, een kledingstuk of als er iets verloren is gegaan, en de verliezer zegt daarvan: “Dit is het”, dan moet het geschil tussen beide betrokkenen voor God worden gebracht; en wien God schuldig verklaart, moet het dubbele aan den ander vergoeden.
10“Se um homem entregar ao seu próximo um jumento, um boi, uma ovelha, ou qualquer animal para guardar, e ele morrer, sofrer dano, ou for afugentado, sem que ninguém veja;
10Wanneer iemand een ezel, een stier of een schaap of wat voor dier ook, aan de hoede van een ander toevertrouwt, en het beest sterft, breekt zijn poten of wordt weggeroofd, zonder dat iemand het ziet,
11o juramento do SENHOR estará entre ambos, de que ele não colocou a mão nos bens do seu próximo; e o seu dono aceitará isso, e ele não fará restituição.
11dan zal een eed voor Jahweh tussen hen beiden beslissen, of die ander zijn hand niet aan het goed van zijn naaste heeft geslagen; de eigenaar moet er genoegen mee nemen, en de ander behoeft niets te vergoeden.
12Mas se for roubado dele, aquele que roubou fará restituição ao seu dono.
12Zo het hem is ontstolen, moet hij het den eigenaar wel vergoeden.
13Se for despedaçado, que ele o traga como evidência. Ele não restituirá o que foi despedaçado.
13Is het door een roofdier verscheurd, dan kan hij het verscheurde beest als bewijs laten gelden, en behoeft hij het niet te vergoeden.
14“Se um homem tomar algo emprestado do seu próximo, e isso sofrer dano, ou morrer, não estando o seu dono com ele, certamente fará restituição.
14Wanneer iemand van een ander een rund te leen vraagt, en het breekt zijn poten of sterft, terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het vergoeden.
15Se o seu dono estiver com ele, não fará restituição. Se for uma coisa alugada, veio pelo seu aluguel.
15Was de eigenaar er bij, dan behoeft hij het niet te vergoeden. Is het echter gehuurd, dan is de schade in de huurprijs inbegrepen.
16“Se um homem seduzir uma virgem que não está prometida em casamento, e se deitar com ela, certamente pagará um dote para que ela seja sua mulher.
16Wanneer iemand een meisje, dat nog niet is verloofd, verleidt en misbruikt, dan moet hij haar huwen en de volle bruidsprijs betalen.
17Se o pai dela se recusar terminantemente a dar-lhe a moça, ele pagará em dinheiro o equivalente ao dote das virgens.
17Weigert de vader haar te geven, dan moet hij toch zoveel betalen, als de bruidsprijs voor een meisje bedraagt.
18“Você não permitirá que uma feiticeira viva.
18Geen tovenares zult ge in leven laten.
19“Quem tiver relações sexuais com um animal certamente será morto.
19Iedereen die een dier misbruikt zal met de dood worden gestraft.
20“Aquele que sacrificar a qualquer deus, exceto somente ao SENHOR, será totalmente destruído.
20Iedereen die aan goden offert, behalve aan Jahweh alleen, zal met de banvloek worden geslagen.
21“Você não fará injustiça a um estrangeiro nem o oprimirá, pois vocês foram estrangeiros na terra do Egito.
21Den vreemdeling moogt ge niet verdrukken en kwellen; want zelf zijt ge vreemdelingen geweest in het land van Egypte.
22“Você não se aproveitará de nenhuma viúva ou órfão.
22Weduwen en wezen zult ge nimmer verdrukken.
23Se de algum modo você se aproveitar deles, e eles clamarem a mim, eu certamente ouvirei o seu clamor;
23Zo ge hen toch durft verdrukken en zij vol angst tot Mij roepen, zal Ik hun schreien zeker verhoren.
24e a minha ira se acenderá, e eu matarei vocês à espada; e as suas mulheres ficarão viúvas, e os seus filhos, órfãos.
24Mijn toorn zal ontbranden, en met het zwaard zal Ik u doden; uw vrouwen zullen weduwen worden en uw kinderen wezen.
25“Se você emprestar dinheiro a qualquer um do meu povo que seja pobre entre vocês, não será para ele como um credor. Você não lhe cobrará juros.
25Wanneer gij geld leent aan een arme van mijn volk onder u, zult ge u tegenover hem niet als geldschieter gedragen, en geen rente van hem vragen.
26Se você tomar a roupa do seu próximo como penhor, você a devolverá a ele antes do pôr do sol,
26Zo ge de mantel van een ander in pand hebt genomen, moet ge hem die voor zonsondergang teruggeven;
27pois essa é a sua única coberta, é a roupa para a sua pele. Em que ele dormiria? Acontecerá que, quando ele clamar a mim, eu ouvirei, pois sou misericordioso.
27want het is zijn enig kleed, de bedekking voor zijn blote lijf, waarin hij moet slapen. Als hij tot Mij roept, zal Ik hem verhoren; want Ik ben barmhartig.
28“Você não blasfemará contra Deus, nem amaldiçoará um governante do seu povo.
28Gij zult God niet vervloeken, en de overheid van uw volk niet verwensen.
29“Você não demorará em oferecer da sua colheita e do transbordar dos seus lagares. “Você me dará o primogênito dos seus filhos.
29Met de eerstelingen van uw dorsvloer en perskuip zult ge niet achterstallig blijven. Den eerstgeborene van uw zonen zult ge Mij afstaan.
30Você fará o mesmo com o seu gado e com as suas ovelhas. Ficará com a sua mãe sete dias, e no oitavo dia você o dará a mim.
30Hetzelfde zult ge doen met uw runderen en uw schapen: zeven dagen mag het jong bij zijn moeder blijven, op de achtste dag zult ge het Mij geven.
31“Vocês serão homens santos para mim; portanto, não comerão nenhuma carne que tenha sido despedaçada por animais no campo. Vocês a lançarão aos cães.
31Reine mensen zult ge Mij zijn. Het vlees van een dier, dat op het veld ligt verscheurd, moogt ge niet eten; maar ge moet het voor de honden werpen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.