Tiago
Chapter 1

Tiago

Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tiago, servo de Deus e do Senhor Jesus Cristo, às doze tribos que estão na Dispersão: Saudações.
1Jakobus, dienaar van God en van den Heer Jesus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: heil!
2Considerem motivo de grande alegria, meus irmãos, quando passarem por diversas provações,
2Mijn broeders, acht het een zeer grote vreugde, wanneer gij in allerhande bekoringen valt.
3sabendo que a provação da sua fé produz perseverança.
3Want gij weet, dat de beproeving van uw geloof de oorzaak is van geduld;
4Deixem que a perseverança complete a sua obra, para que vocês sejam perfeitos e completos, sem lhes faltar nada.
4welnu, het geduld behoeft slechts volkomen te worden, dan zijt gij volmaakt en ongerept, en schiet gij in niets te kort.
5Mas, se algum de vocês precisa de sabedoria, peça-a a Deus, que dá generosamente a todos, sem censurar, e ela lhe será dada.
5Komt iemand van u dan wijsheid te kort, hij vrage ze aan God, die ze aan allen verleent, eenvoudigweg en zonder verwijt; dan zal ze hem geschonken worden.
6Peça, porém, com fé, sem duvidar de nada, pois aquele que duvida é semelhante à onda do mar, impelida e agitada pelo vento.
6Maar hij moet vragen met geloof en zonder te weifelen; want wie weifelt, gelijkt op een golf van de zee, die door de wind wordt bewogen, en heen en weer wordt geslingerd.
7Pois esse homem não deve pensar que receberá alguma coisa do Senhor.
7Zo iemand toch verbeelde zich niet, dat hij iets van den Heer zal ontvangen;
8É um homem de mente dividida, inconstante em todos os seus caminhos.
8dubbelhartig man als hij is, ongestadig in heel zijn gedrag.
9O irmão de condição humilde glorie-se na sua alta posição;
9Laat de broeder van nederige staat zich op zijn verheffing beroemen.
10e o rico, na sua humilhação, porque ele passará como a flor da erva.
10Maar de rijke op zijn geringheid; want hij zal verdwijnen als een bloem in het gras.
11Pois o sol se levanta com o vento abrasador e seca a erva; a flor cai, e a sua bela aparência desaparece. Assim também o rico murchará em seus empreendimentos.
11Want de zon gaat op met haar gloed en doet het gras verdorren; dan valt ook zijn bloem, en haar schoonheid vliedt heen. Zo zal ook de rijke verkwijnen op zijn levenspad.
12Bem-aventurado é aquele que suporta a provação, pois, depois de ser aprovado, receberá a coroa da vida, que o Senhor prometeu aos que o amam.
12Zalig de man, die staande blijft bij de bekoring; want wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die God beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben.
13Ninguém, ao ser tentado, diga: “Sou tentado por Deus”; pois Deus não pode ser tentado pelo mal, e ele mesmo a ninguém tenta.
13Niemand mag zeggen, als hij bekoord wordt: ik word door God bekoord. Want evenmin als God zelf door het kwaad wordt bekoord, brengt Hij wien ook in bekoring.
14Mas cada um é tentado quando é atraído e seduzido pela sua própria cobiça.
14Neen, iedere mens wordt door zijn eigen begeerlijkheid bekoord, verleid en verlokt;
15Então a cobiça, tendo concebido, dá à luz o pecado. E o pecado, quando atinge a maturidade, gera a morte.
15wanneer dan de begeerlijkheid is bevrucht, baart ze de zonde, en als de zonde volgroeid is, brengt ze de dood.
16Não se enganem, meus amados irmãos.
16Bedriegt u niet, mijn geliefde broeders.
17Toda boa dádiva e todo dom perfeito vêm do alto, descendo do Pai das luzes, em quem não pode haver variação nem sombra de mudança.
17Niet dan goede gift en volmaakte gave komt van boven, en daalt neer van den Vader der lichten, bij wien geen verandering bestaat of schaduw van wisselvalligheid.
18Por sua própria vontade, ele nos gerou pela palavra da verdade, para que fôssemos como que as primícias das suas criaturas.
18Uit vrije wil heeft Hij ons door de prediking der waarheid verwekt, opdat we de eersteling zijner schepselen zouden zijn.
19Portanto, meus amados irmãos, que cada um seja pronto para ouvir, tardio para falar e tardio para se irar;
19Verstaat dit goed, mijn geliefde broeders! Een ieder zij vlug in het horen, maar traag in het spreken, traag in de toorn;
20pois a ira do homem não produz a justiça de Deus.
20want ‘s mensen toorn bewerkt geen gerechtigheid Gods.
21Portanto, livrando-se de toda impureza e de todo excesso de maldade, recebam com humildade a palavra implantada, que é capaz de salvar as suas almas.
21Legt daarom alle onreinheid af en uitwas van boosheid, maar neemt met zachtmoedigheid het woord in u op, dat op u is geënt, en dat uw zielen kan redden.
22Mas sejam praticantes da palavra, e não apenas ouvintes, enganando a si mesmos.
22Weest werkers van het woord, en niet hoorders alleen; anders bedriegt gij uzelf.
23Pois, se alguém é ouvinte da palavra e não praticante, é semelhante a um homem que contempla o seu rosto natural num espelho;
23Immers, wanneer iemand het woord aanhoort, maar er zich niet naar gedraagt, dan gelijkt hij op een man, die zijn gelaat, door de natuur hem geschonken, in een spiegel beziet;
24pois ele vê a si mesmo, vai embora, e logo se esquece de como ele era.
24want als hij toegekeken heeft en heen is gegaan, is hij aanstonds vergeten, hoe hij er uitzag.
25Mas aquele que examina atentamente a lei perfeita da liberdade e nela persevera, não sendo um ouvinte que se esquece, mas alguém que pratica a obra, será abençoado naquilo que faz.
25Maar hij, die met volle aandacht de volmaakte wet der vrijheid beschouwt, en zich er ook naar gedraagt, —geen vergeetachtig hoorder, maar een man van de daad, —hij zal zalig worden door zijn werken.
26Se alguém entre vocês pensa ser religioso, mas não refreia a sua língua, antes engana o seu próprio coração, a religião desse homem é inútil.
26Zo iemand vroom meent te zijn, maar zijn tong niet beteugelt, dan bedriegt hij zichzelf, en zijn vroomheid is ijdel.
27A religião pura e imaculada diante do nosso Deus e Pai é esta: visitar os órfãos e as viúvas nas suas aflições, e manter-se incontaminado do mundo.
27Reine en vlekkeloze vroomheid in de ogen van God en den Vader is deze: zorg te dragen voor wezen en weduwen in hun rampspoed, en zich onbesmet van de wereld te houden.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.