Marcos 1
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Princípio do evangelho de Jesus Cristo, o Filho de Deus.
1Aanvang der blijde boodschap van Jesus Christus, den Zoon van God:
2Como está escrito nos profetas, “Eis que, envio o meu mensageiro à tua frente, o qual preparará o teu caminho diante de ti:
2zoals geschreven staat bij den profeet Isaias: Zie, Ik zend mijn gezant voor U uit, Om voor U de weg te bereiden.
3a voz do que clama no deserto, ‘Preparem o caminho do Senhor! Endireitem as suas veredas!’”
3De stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, Maakt recht zijn paden.
4João apareceu no deserto, batizando e pregando o batismo de arrependimento para perdão de pecados.
4Johannes de Doper trad op in de woestijn, en preekte een doopsel van boetvaardigheid tot vergiffenis der zonden.
5Toda a região da Judeia e todos os habitantes de Jerusalém iam até ele. Eram batizados por ele no rio Jordão, confessando os seus pecados.
5En het hele land van Judea en allen uit Jerusalem liepen naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.
6João vestia-se de pelos de camelo e usava um cinto de couro em volta da cintura. Ele comia gafanhotos e mel silvestre.
6Johannes droeg een kemelharen mantel, en een leren heupkleed om zijn lenden; hij at sprinkhanen en wilde honing. En hij preekte aldus:
7Ele pregava, dizendo: “Depois de mim vem aquele que é mais poderoso do que eu, diante de quem não sou digno sequer de me abaixar para desatar a correia das suas sandálias.
7Na mij komt er Een, die machtiger is dan ik; ik ben niet waardig, om mij voor Hem neer te bukken, en zijn schoenriem los te maken.
8Eu batizei vocês em água, mas ele batizará vocês no Espírito Santo.”
8Ik heb u met water gedoopt, maar Hij zal u dopen met den Heiligen Geest.
9Naqueles dias, Jesus veio de Nazaré da Galileia e foi batizado por João no Jordão.
9In die dagen kwam Jesus uit Názaret van Galilea, en werd in de Jordaan door Johannes gedoopt.
10Logo ao sair da água, ele viu os céus se abrindo e o Espírito descendo sobre ele como uma pomba.
10Maar onmiddellijk steeg Hij uit het water op, en zag de Hemel geopend, en den Geest op Zich neerdalen als een duif.
11E uma voz veio dos céus: “Tu és o meu Filho amado; tenho grande prazer em ti.”
11En er kwam een stem uit de hemel: Gij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb Ik welbehagen.
12Imediatamente o Espírito o impeliu para o deserto.
12Dadelijk daarna dreef de Geest Hem naar de woestijn.
13Ele ficou no deserto quarenta dias, sendo tentado por Satanás. Estava com os animais selvagens, e os anjos o serviam.
13Veertig dagen bleef Hij in de woestijn, waar Hij door de satan werd bekoord; Hij vertoefde onder de wilde dieren, en de engelen dienden Hem.
14Ora, depois que João foi preso, Jesus foi para a Galileia, pregando o evangelho do Reino de Deus,
14Nadat Johannes was gevangen gezet, kwam Jesus in Galilea, en verkondigde het Evangelie van het koninkrijk Gods.
15e dizendo: “O tempo está cumprido, e o Reino de Deus está próximo! Arrependam-se e creiam no evangelho.”
15Hij zeide: De tijd is vervuld, en het koninkrijk Gods is nabij; bekeert u, en gelooft in het evangelie.
16Caminhando junto ao mar da Galileia, ele viu Simão e André, irmão de Simão, lançando a rede ao mar, pois eram pescadores.
16Toen Hij eens langs het meer van Galilea ging, zag Hij Simon en Andreas, den broer van Simon, het net uitwerpen in het meer; want ze waren vissers.
17Jesus lhes disse: “Sigam-me, e eu farei de vocês pescadores de homens.”
17En Jesus sprak tot hen: Volgt Mij; Ik zal mensenvissers van u maken.
18Imediatamente eles deixaram as suas redes e o seguiram.
18Aanstonds verlieten ze de netten, en volgden Hem.
19Indo um pouco mais adiante dali, ele viu Tiago, filho de Zebedeu, e João, seu irmão, que também estavam no barco consertando as redes.
19Een weinig verder zag Hij Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broer, die ook in een boot waren en de netten herstelden.
20Imediatamente ele os chamou, e eles deixaram seu pai, Zebedeu, no barco com os empregados, e o seguiram.
20Aanstonds riep Hij ze. En ze lieten hun vader Zebedeüs in de boot met de bemanning achter, en volgden Hem.
21Eles entraram em Cafarnaum, e logo no sábado Jesus entrou na sinagoga e começou a ensinar.
21Zij begaven zich nu naar Kafárnaum. En terstond ging Hij op de sabbat de synagoge binnen, en trad als leraar op.
22Eles ficavam admirados com o seu ensino, pois ele os ensinava como quem tem autoridade, e não como os escribas.
22Men stond verbaasd over zijn leer; want Hij leerde hen als een die gezag heeft, en niet zoals de schriftgeleerden.
23Logo apareceu na sinagoga um homem com um espírito imundo, e ele gritou,
23Al heel spoedig was er in hun synagoge een man met een onreinen geest. Hij riep:
24dizendo: “Ah! Que temos nós contigo, Jesus Nazareno? Vieste para nos destruir? Eu sei quem tu és: o Santo de Deus!”
24Wat hebt Gij met ons te maken, Jesus van Názaret? Zijt Gij gekomen, om ons in het verderf te storten? Ik weet, wie Gij zijt: de Heilige Gods.
25Jesus o repreendeu, dizendo: “Cala-te, e sai dele!”
25Maar Jesus gebood hem: Zwijg, en ga van hem uit.
26O espírito imundo o sacudiu violentamente e, dando um forte grito, saiu dele.
26En onder stuiptrekken en luid geschreeuw ging de onreine geest van hem uit.
27Todos ficaram maravilhados, a ponto de perguntarem uns aos outros: “Que é isto? Um novo ensino? Pois com autoridade ele ordena até aos espíritos imundos, e eles lhe obedecem!”
27Allen waren verbaasd, en vroegen zich af: Wat kan dat toch zijn? Een nieuwe leer met gezag! Bovendien gebiedt Hij de onreine geesten, en ze gehoorzamen Hem!
28A sua fama espalhou-se rapidamente por toda a região da Galileia e seus arredores.
28En zijn faam ging aanstonds overal rond door heel het land van Galilea.
29Imediatamente, ao saírem da sinagoga, foram à casa de Simão e André, com Tiago e João.
29Toen zij de synagoge hadden verlaten, begaven zij zich, van Jakobus en Johannes vergezeld, rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas.
30A sogra de Simão estava de cama com febre, e logo lhe falaram a respeito dela.
30De schoonmoeder van Simon lag ziek aan de koorts; en aanstonds vertelden ze het Hem.
31Ele se aproximou, tomou-a pela mão e a levantou. A febre a deixou imediatamente, e ela passou a servi-los.
31Hij trad nader, vatte haar bij de hand, en richtte haar op; de koorts verliet haar, en ze bediende Hem.
32À tarde, ao pôr do sol, trouxeram-lhe todos os enfermos e os endemoninhados.
32Toen het avond was geworden en de zon was ondergegaan, bracht men alle zieken en bezetenen naar Hem toe;
33Toda a cidade estava reunida à porta.
33de hele stad stond voor de deur bijeen.
34Ele curou muitos que estavam doentes de várias enfermidades e expulsou muitos demônios. Ele não permitia que os demônios falassem, porque o conheciam.
34En Hij genas er velen, die aan verschillende kwalen leden. Ook dreef Hij veel duivels uit; maar Hij liet niet toe, dat de duivels zeiden, dat ze Hem kenden.
35De madrugada, quando ainda estava escuro, ele se levantou, saiu e foi para um lugar deserto, onde ficou orando.
35Zeer vroeg in de morgen stond Hij op, en ging heen; Hij begaf zich naar een eenzame plaats, om er te bidden.
36Simão e os que estavam com ele o procuraram.
36Simon en zijn gezellen gingen Hem achterna,
37Eles o encontraram e lhe disseram: “Todos estão te procurando.”
37vonden Hem, en zeiden: Iedereen zoekt U.
38Ele lhes disse: “Vamos a outros lugares, às localidades vizinhas, para que eu pregue lá também, pois foi para isso que eu vim.”
38Maar Hij sprak tot hen: Laten we naar de omliggende dorpen gaan, om ook daar te preken; want daartoe ben Ik gekomen.
39Ele foi às sinagogas de toda a Galileia, pregando e expulsando demônios.
39Zo trok Hij heel Galilea rond: Hij preekte in hun synagogen, en dreef de duivels uit.
40Um leproso aproximou-se dele e, ajoelhando-se, suplicou-lhe: “Se quiseres, podes purificar-me.”
40Eens kwam een melaatse naar Hem toe, die smekend voor Hem op de knieën viel, en tot Hem sprak: Zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.
41Movido de compaixão, ele estendeu a mão, tocou-o e disse-lhe: “Eu quero. Sê purificado.”
41Jesus had medelijden met hem: Hij strekte zijn hand uit, raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!
42Assim que ele disse isso, imediatamente a lepra o deixou e ele ficou purificado.
42Terstond verdween de melaatsheid; hij was gereinigd.
43Ele o advertiu severamente e logo o despediu,
43Onmiddellijk zond Hij hem weg, vermaande hem ernstig.
44e disse-lhe: “Olha, não digas nada a ninguém, mas vai mostrar-te ao sacerdote e oferece pela tua purificação o que Moisés ordenou, para lhes servir de testemunho.”
44en zei hem: Pas op, dat ge het niemand zegt; maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer voor uw reiniging wat Moses als bewijs voor hen heeft voorgeschreven.
45Mas ele saiu e começou a divulgar amplamente o que havia acontecido, de modo que Jesus já não podia entrar abertamente nas cidades, mas ficava do lado de fora, em lugares desertos. E pessoas de todas as partes iam até ele.
45Maar nauwelijks was hij heengegaan, of hij begon het overal te vertellen, en het geval ruchtbaar te maken; zodat Jesus niet meer openlijk in een stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen vertoefde. Toch kwam men van alle kanten naar Hem toe.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.