Baruc 1
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Estas são as palavras do livro que Baruc, filho de Nerias, filho de Maasias, filho de Sedecias, filho de Asadias, filho de Helcias, escreveu na Babilônia,
1Dit is de inhoud van het boek, dat Baruk, de zoon van Neri-ja, zoon van Machseja, zoon van Sedekias, zoon van Chasadja, zoon van Chilki-ja, in Babel schreef,
2no quinto ano, no sétimo dia do mês, no tempo em que os caldeus tomaram Jerusalém e a incendiaram.
2in het vijfde jaar, op de zevende dag van dezelfde maand, waarop de Chaldeën Jerusalem hadden ingenomen en in brand gestoken.
3Baruc leu as palavras deste livro diante de Jeconias, filho de Joaquim, rei de Judá, e diante de todo o povo que veio ouvir o livro,
3Toen Baruk de inhoud van dit boek had voorgelezen ten aanhoren van Jekonias, den zoon van Jojakim en koning van Juda, en van al het volk, dat voor de lezing was samengekomen:
4e diante dos homens poderosos, dos filhos dos reis, dos anciãos e de todo o povo, do menor ao maior, isto é, de todos os que moravam na Babilônia junto ao rio Sud.
4ten aanhoren van de edelen en prinsen, van de oudsten en heel het volk, klein en groot: ten aanhoren van allen, die in Babel bij de rivier Soed waren gevestigd,
5Então eles choraram, jejuaram, e oraram diante do Senhor.
5weenden zij, en vastten en baden tot den Heer.
6Também fizeram uma coleta de dinheiro, cada um conforme suas possibilidades,
6Zij zamelden geld in, zoveel ieder kon missen,
7e a enviaram a Jerusalém, a Joaquim, o sumo sacerdote, filho de Helcias, filho de Salom, aos sacerdotes e a todo o povo que se encontrava com ele em Jerusalém,
7en zonden het naar Jerusalem aan den priester Jojakim, den zoon van Chilki-ja, zoon van Salom, en aan de andere priesters en heel de bevolking, die zich met hem in Jerusalem bevonden.
8na mesma ocasião em que ele tomou os utensílios da casa do Senhor que haviam sido levados do templo, para devolvê-los à terra de Judá, no décimo dia de Sivã — utensílios de prata que Sedecias, filho de Josias, rei de Judá, havia feito —
8Zij gaven het Baruk mee, die reeds op de tiende van Siwan de vaten van het huis des Heren, die uit de tempel waren geroofd, in ontvangst had genomen, om ze naar het land van Juda terug te brengen. Het waren de zilveren vaten, die Sedekias, de zoon van Josias en koning van Juda, had laten vervaardigen,
9depois que Nabucodonosor, rei da Babilônia, levou de Jerusalém para a Babilônia Jeconias, os príncipes, os cativos, os homens poderosos e o povo da terra.
9nadat Nabukodonosor, de koning van Babel, Jekonias met de aanvoerders, bankwerkers, edelen en het gewone volk uit Jerusalem had weggevoerd, en naar Babel had overgebracht.
10Eles disseram: “Enviamos dinheiro a vocês. Portanto, comprem com ele holocaustos, ofertas pelo pecado e incenso, preparem uma oferta e ofereçam tudo sobre o altar do Senhor nosso Deus.
10Zij schreven: “Hierbij zenden wij u geld; koopt voor dit geld brandoffers, zoenoffers en wierook, en richt een spijsoffer aan, om het op te dragen op het altaar van den Heer, onzen God.
11Orem pela vida de Nabucodonosor, rei da Babilônia, e pela vida de Baltasar, seu filho, para que seus dias sejam como os dias dos céus sobre a terra.
11Bidt ook voor het welzijn van Nabukodonosor, den koning van Babel, en van zijn zoon Baltassar, opdat hun dagen even lang mogen duren als die van de hemel boven de aarde;
12O Senhor nos dará força e luz aos nossos olhos. Viveremos à sombra de Nabucodonosor, rei da Babilônia, e à sombra de Baltasar, seu filho; nós os serviremos por muitos dias e encontraremos favor diante deles.
12en opdat de Heer ons kracht moge schenken en onze ogen verlichten, om in de schaduw van Nabukodonosor, den koning van Babel, en zijn zoon Baltassar te blijven leven, hun lange tijd dienstbaar te zijn, en genade in hun ogen te vinden.
13Orem também por nós ao Senhor nosso Deus, pois pecamos contra o Senhor nosso Deus. Até hoje a ira e a indignação do Senhor não se afastaram de nós.
13Bidt ook voor ons tot den Heer, onzen God; want wij hebben gezondigd tegen den Heer, onzen God, en de grimmige toorn des Heren is tot heden toe niet van ons afgewend.
14Leiam este livro que enviamos a vocês, para fazerem confissão na casa do Senhor no dia da festa e nos dias da assembleia solene.
14Bovendien moet gij dit boek, dat wij u ter lezing toezenden, op feestdagen en hoogtijden in het huis des Heren hardop voorlezen.”
15Digam: ‘Ao Senhor nosso Deus pertence a justiça; a nós, porém, cabe a vergonha, como acontece hoje — aos homens de Judá, aos habitantes de Jerusalém,
15De Heer, onze God, is rechtvaardig; maar wij moeten heden blozen van schaamte: wij, de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem,
16aos nossos reis, aos nossos príncipes, aos nossos sacerdotes, aos nossos profetas e aos nossos antepassados —
16met onze koningen en aanvoerders, met onze priesters en profeten, evenals onze vaderen.
17porque pecamos diante do Senhor.
17Want wij hebben gezondigd tegen den Heer:
18Nós lhe desobedecemos e não demos ouvidos à voz do Senhor nosso Deus, para andarmos nos mandamentos que o Senhor colocou diante de nós.
18wij bleven tegen Hem in verzet, en luisterden niet naar de stem van den Heer, onzen God, om naar de wetten des Heren te leven, die Hij ons had ge- geven.
19Desde o dia em que o Senhor tirou nossos antepassados da terra do Egito até hoje, temos sido desobedientes ao Senhor nosso Deus e negligentes em não ouvir sua voz.
19Van de dag, dat de Heer onze vaders uit Egypteland heeft geleid, tot op de dag van vandaag, pleegden wij verzet tegen den Heer, onzen God, en waren wij lichtzinnig genoeg, om naar zijn stem niet te horen.
20Por isso se apegaram a nós as pragas e a maldição que o Senhor anunciou por meio de Moisés, seu servo, no dia em que tirou nossos antepassados da terra do Egito para nos dar uma terra que mana leite e mel, como acontece hoje.
20Zo moest ons de ramp en vloek wel treffen, die de Heer door Moses, zijn dienaar, had laten verkonden op de dag, dat Hij onze vaders uit Egypteland leidde, om ons een land te geven, dat druipt van melk en honing, zoals het heden nog doet.
21Contudo, não demos ouvidos à voz do Senhor nosso Deus, conforme todas as palavras dos profetas que ele nos enviou.
21Neen, wij luisterden niet naar de stem van den Heer, onzen God, ondanks alle vermaningen der profeten, die Hij ons heeft gezonden.
22Cada um de nós seguiu a imaginação de seu próprio coração perverso, servindo deuses estrangeiros e fazendo o que é mau diante do Senhor nosso Deus.’”
22Wij bleven allen de lusten volgen van ons verdorven hart, om vreemde goden te dienen, en kwaad te doen in de ogen des Heren.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.