Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Livro das palavras de Tobit, filho de Tobiel, filho de Ananiel, filho de Aduel, filho de Gabael, da descendência de Asiel, da tribo de Naftali;
1Tobit was uit de stam van Neftali, en uit een stad, die in Opper-Galilea ligt ten noorden van Chasor, dus ten noorden van de weg, die naar het westen voert en de stad Séfet links laat liggen.
2que, nos dias de Enemessar, rei dos assírios, foi levado cativo de Tisbe, que fica à direita de Quedes de Naftali, na Galileia, acima de Aser.
2Toen hij in de dagen van Salmanassar, den koning der Assyriërs, krijgsgevangen was gemaakt, week hij in de ballingschap toch niet van de weg der waarheid af;
3Eu, Tobit, andei nos caminhos da verdade e da justiça todos os dias da minha vida e dei muitas esmolas aos meus parentes e ao meu povo, que foram comigo para a terra dos assírios, para Nínive.
3zelfs deelde hij al wat hij kon overleggen, dagelijks uit aan zijn medeballingen, de broeders uit zijn eigen volk.
4Quando eu ainda era jovem e vivia em minha própria terra, a terra de Israel, toda a tribo do meu antepassado Naftali se afastou da casa de Jerusalém, escolhida dentre todas as tribos de Israel para que ali todas elas oferecessem sacrifícios. O templo, morada do Altíssimo, havia sido consagrado e edificado ali para sempre.
4Reeds van zijn prilste jeugd af, toen hij nog in de stam van Neftali woonde, was er in zijn optreden niets onmannelijks.
5Todas as tribos que se afastaram juntas ofereciam sacrifícios à novilha Baal, e a casa do meu antepassado Naftali fazia o mesmo.
5Wanneer allen naar de gouden kalveren gingen, die Jeroboam, de koning van Israël, had opgericht, sloot hij alleen zich nooit bij hen aan;
6Mas eu, sozinho, ia muitas vezes a Jerusalém nas festas, conforme havia sido ordenado a todo Israel por decreto perpétuo. Eu levava as primícias, os dízimos da minha produção e as primeiras tosquias, e os entregava no altar aos sacerdotes, filhos de Arão.
6hij ging naar Jerusalem, naar de tempel des Heren, om dáár den Heer, den God van Israël, te aanbidden, en trouw al zijn eerstelingen en tienden te offeren.
7Eu dava a décima parte de toda a minha produção aos filhos de Levi que serviam em Jerusalém. Vendia uma segunda décima parte e, a cada ano, ia a Jerusalém e gastava ali o dinheiro.
7Ook droeg hij om de drie jaar alle tienden af voor de proselieten en vreemdelingen.
8Dava uma terceira décima parte àqueles a quem cabia recebê-la, conforme Débora, mãe do meu pai, havia me ordenado, pois meu pai me deixou órfão.
8Deze en dergelijke voorschriften van de Wet Gods onderhield hij reeds van zijn prilste jeugd.
9Quando me tornei homem, tomei por esposa Ana, da descendência de nossa própria família. Com ela, tornei-me pai de Tobias.
9Nadat hij man was geworden, nam hij een vrouw uit zijn stam, Anna geheten, en verwekte bij haar een zoon, wien hij zijn eigen naam gaf.
10Quando fui levado cativo para Nínive, todos os meus parentes e familiares comiam da comida dos gentios;
10Hij leerde hem van kindsbeen af God te vrezen en zich vrij te houden van alle zonde.
11mas eu me abstive de comê-la,
11Toen hij nu met vrouw en kind en geheel zijn stam in ballingschap naar de stad Ninive was gekomen,
12porque me lembrava de Deus de toda a minha alma.
12en allen van de spijzen der heidenen begonnen te eten, zorgde hij er voor, zich nooit door hun spijzen te verontreinigen.
13Por isso, o Altíssimo me concedeu graça e favor diante de Enemessar, e eu me tornei seu agente de compras.
13En daar hij uit geheel zijn hart den Heer indachtig was, bezorgde God hem de gunst van Salmanassar, den koning;
14Fui à Média e deixei em depósito dez talentos de prata com Gabael, irmão de Gabrias, em Rages da Média.
14deze gaf hem verlof te gaan, waar hij wilde, en onbelemmerd alles te doen, wat hij wenste.
15Depois que Enemessar morreu, seu filho Senaqueribe reinou em seu lugar. Em seu tempo, as estradas ficaram perigosas, e eu já não podia ir à Média.
15Zo kon hij allen bezoeken, die in ballingschap leefden, en hun heilzame vermaningen geven.
16Nos dias de Enemessar, dei muitas esmolas aos meus parentes: dei meu pão aos famintos
16Toen hij dus eens in Rages kwam, een stad in Medië, met tien talenten zilver bij zich, waarmee de koning hem had vereerd,
17e minhas roupas aos que estavam nus. Se eu via algum homem do meu povo morto e lançado para fora do muro de Nínive, eu o sepultava.
17trof hij daar onder de vele lieden van zijn eigen volk zijn stamgenoot Gabaël aan; aan dezen gaf hij de genoemde som gelds tegen een ontvangbewijs in bewaring.
18Se o rei Senaqueribe matava alguém quando voltou fugindo da Judeia, eu sepultava os mortos em segredo, pois, em sua ira, ele matou muitos. O rei mandava procurar os corpos, mas eles não eram encontrados.
18Maar toen lange tijd later, na de dood van koning Salmanassar, diens zoon Sinacherib in zijn plaats regeerde, begon deze de Israëlieten zeer vijandig te behandelen;
19Porém, um dos ninivitas foi ao rei e contou a meu respeito, dizendo que eu os sepultava. Então me escondi; e, quando soube que me procuravam para me matar, fugi por medo.
19doch Tobit bleef dagelijks al zijn verwanten bezoeken, om hen te troosten en aan iedereen, zoveel hij kon, van zijn goederen mede te delen.
20Todos os meus bens foram tomados à força, e nada me restou, exceto minha esposa Ana e meu filho Tobias.
20Aan de hongerigen gaf hij voedsel, de naakten verschafte hij kleding, en die gestorven waren of gedood, begroef hij met de grootste zorg.
21Não se passaram mais de cinquenta e cinco dias até que dois de seus filhos o mataram e fugiram para os montes de Ararate. Sarquedono, seu filho, reinou em seu lugar. Ele nomeou Aquiacharo, filho de meu irmão Anael, responsável por todas as contas de seu reino e por todos os seus negócios.
21Toen dan ook koning Sinacherib uit Judea op de vlucht was gedreven door de plaag, die God hem wegens zijn godslastering toebracht, en na zijn terugkeer in zijn woede vele van Israëls kinderen vermoordde, was het Tobit weer, die hun lijken begroef.
22Aquiacharo intercedeu por mim, e eu voltei a Nínive. Aquiacharo era copeiro, guardião do selo, administrador e encarregado das contas. Sarquedono o colocou em posição logo abaixo de si. Ele era filho de meu irmão.
22Maar toen dat aan den koning werd overgebracht, gaf deze bevel, hem te vermoorden en heel zijn vermogen in beslag te nemen.
no verse 23 in this text
23Daarom ging Tobit met zijn zoon en zijn vrouw op de vlucht, en daar hij vele vrienden had, slaagde hij er in-ofschoon van alles beroofd-zich verborgen te houden.
no verse 24 in this text
24Maar toen vijf en veertig dagen later de koning door zijn eigen zonen werd vermoord,
no verse 25 in this text
25keerde Tobit naar zijn woning terug.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.