2 Pedro 1
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Simão Pedro, servo e apóstolo de Jesus Cristo, àqueles que conosco obtiveram uma fé igualmente preciosa na justiça do nosso Deus e Salvador, Jesus Cristo:
1Simon Petrus, dienaar en apostel van Jesus Christus: aan hen, die door de gerechtigheid van onzen God en Zaligmaker Jesus Christus een geloof hebben ontvangen, even kostbaar als het onze:
2Graça e paz lhes sejam multiplicadas no pleno conhecimento de Deus e de Jesus, nosso Senhor,
2Genade en vrede zij u in volle mate door de kennis van God en van Jesus onzen Heer.
3visto que o seu divino poder nos concedeu tudo o que diz respeito à vida e à piedade, pelo pleno conhecimento daquele que nos chamou para a sua própria glória e virtude,
3Alles toch wat tot leven en vroomheid kan strekken, heeft zijn goddelijke macht ons geschonken door de kennis van Hem, die ons riep door zijn glorie en kracht.
4pelas quais ele nos concedeu as suas preciosas e grandíssimas promessas; para que por meio destas vocês se tornem coparticipantes da natureza divina, tendo escapado da corrupção que há no mundo pela cobiça.
4Hierdoor ook heeft Hij ons de meest kostelijke en heerlijke beloften gedaan: dat gij door dit alles deelachtig zoudt worden aan Gods natuur, wanneer gij ontkomen zult zijn aan het zinnelijk bederf van de wereld.
5Sim, e por esta mesma razão, empenhem-se ao máximo e acrescentem à sua fé a excelência moral; à excelência moral, o conhecimento;
5En juist Daarom moet gij uw uiterste best doen, om met het geloof de deugd te paren, met de deugd de kennis,
6e ao conhecimento, o domínio próprio; e ao domínio próprio, a perseverança; e à perseverança, a piedade;
6met de kennis de zelfbeheersing, met de zelfbeheersing de volharding, met de volharding de vroomheid,
7e à piedade, a fraternidade; e à fraternidade, o amor.
7met de vroomheid de broederlijkheid, met de broederlijkheid de liefde.
8Porque, se estas coisas estiverem presentes e aumentarem em vocês, não os deixarão ociosos nem infrutíferos no pleno conhecimento de nosso Senhor Jesus Cristo.
8Want wanneer gij dit alles bezit en in ruimer mate verkrijgt, zal het u niet leeg en onvruchtbaar maken voor uw kennis van Jesus christus onzen Heer;
9Pois aquele a quem faltam estas coisas é cego, enxerga apenas de perto e se esqueceu da purificação dos seus antigos pecados.
9hij immers wien dit alles ontbreekt, is blind En kortzichtig, en heeft vergeten, dat hij gereinigd werd van vroegere zonden.
10Portanto, irmãos, sejam ainda mais diligentes em confirmar a sua vocação e eleição. Pois, se fizerem estas coisas, vocês jamais tropeçarão.
10Broeders, beijvert u dus zoveel mogelijk, om uw roeping en uitverkiezing vast te doen staan. Want wanneer gij dit Alles beoefent, zult gij nooit struikelen,
11Pois assim lhes será concedida amplamente a entrada no Reino eterno de nosso Senhor e Salvador, Jesus Cristo.
11en dan zal ook de toegang tot het eeuwig koninkrijk van Jesus Christus, onzen Heer en Zaligmaker, wijd voor u openstaan.
12Por isso, não deixarei de sempre lembrá-los destas coisas, embora vocês já as conheçam e estejam firmados na verdade presente.
12Daarom dan ook zal ik zonder ophouden u dit alles in herinnering blijven brengen, ofschoon gij de waarheid wel kent, die gij bezit, en er zelfs in bevestigd zijt.
13Acho justo, enquanto estiver nesta tenda, despertá-los com essas lembranças,
13Zolang ik in deze tentwoning blijf, acht ik het mijn plicht, door gestadige herinnering u er toe op te wekken.
14sabendo que em breve deixarei a minha tenda, assim como o nosso Senhor Jesus Cristo me deixou claro.
14Want ik weet, dat weldra mijn tent zal worden neergehaald, zoals ook Jesus Christus onze Heer het mij bekend heeft gemaakt.
15Sim, farei todo o esforço para que, mesmo após a minha partida, vocês sempre possam se lembrar destas coisas.
15Ik zal er dus mijn best voor doen, dat gij ook, na mijn heengaan, het u ten allen tijde zult blijven herinneren.
16Porque não seguimos fábulas engenhosamente inventadas quando lhes demos a conhecer o poder e a vinda de nosso Senhor Jesus Cristo, mas nós fomos testemunhas oculares da sua majestade.
16We hebben u immers de kracht en de komst van onzen Heer Jesus Christus verkondigd, niet als napraters van listig verzonnen sprookjes, maar als ooggetuigen van zijn Majesteit.
17Pois ele recebeu honra e glória da parte de Deus Pai, quando a voz lhe foi dirigida pela Suprema Glória: “Este é o meu Filho amado, em quem me agrado.”
17Want toen Hij van God den Vader eer en glorie ontving, klonk tot Hem de stem van de Hoogwaardige Heerlijkheid: “Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen gesteld heb.”
18Nós ouvimos esta voz vinda do céu quando estávamos com ele no monte santo.
18En wijzelf hebben deze stem uit de hemel gehoord, toen wij op de heilige berg waren, tezamen met Hem.
19Temos também a palavra profética ainda mais segura; e vocês fazem bem em prestar atenção a ela, como a uma candeia que brilha em lugar escuro, até que o dia clareie e a estrela da alva nasça no coração de vocês,
19Bovendien bezitten we het woord der profeten, dat daardoor nog meer bekrachtigd werd; gij doet dus wèl, met er acht op te slaan als op een lamp, die schijnt op een donkere plaats, totdat de Dag gaat gloren en de Morgenster opgaat in uw harten.
20sabendo primeiramente isto: que nenhuma profecia da Escritura é de interpretação particular.
20Toch moet gij vóór alles begrijpen, dat er geen enkele profetie der Schrift door eigenmachtige verklaring ontstaat.
21Pois nenhuma profecia jamais veio pela vontade do homem, mas homens santos de Deus falaram, sendo movidos pelo Espírito Santo.
21Want nooit is er een profetie uitgebracht door de wil van een mens, maar onder de drang van den heiligen Geest hebben mensen gesproken uit naam van God.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.