Sirácida 51
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Eu te darei graças, ó Senhor, ó Rei, e te louvarei, ó Deus, meu Salvador. Dou graças ao teu nome,
1Ik wil u prijzen, Jahweh, mijn Koning; U loven, God van mijn heil. Ik wil uw Naam roemen, stut van mijn leven,
2porque tens sido meu protetor e meu auxílio, livraste meu corpo da destruição, da armadilha de uma língua caluniadora e de lábios que inventam mentiras. Foste meu auxílio diante dos que estavam ao redor,
2Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood; Gij hebt mijn lichaam voor het bederf bewaard, Mijn voeten aan de greep van de onderwereld ontrukt! Gij hebt mij gered van de gesel van lastertongen, Van lippen, die leugentaal uitslaan; Gij hebt mij bijgestaan tegen mijn vijand,
3e me livraste, segundo a abundância de tua misericórdia e de teu nome, dos dentes rangendo, prontos para devorar, das mãos dos que procuravam minha vida, das muitas aflições que suportei,
3En naar uw grote barmhartigheid mij bevrijd Uit de strikken van hen, die loerden op buit, Uit de hand van hen, die mijn leven belaagden. Gij hebt mij verlost uit grote benauwing,
4do sufocamento do fogo por todos os lados e do meio de um fogo que eu não havia acendido,
4Uit de vlammennood, die mij omgaf; Midden uit het vuur, dat zonder rust oplaaide,
5das profundezas do ventre do Hades, de uma língua impura e de palavras mentirosas,
5Uit de dorre schoot van het dodenrijk; Van vuile lippen en lasterpraat,
6da calúnia de uma língua injusta diante do rei. Minha alma se aproximou da morte, e minha vida chegou perto do Hades.
6En de pijlen van valse tongen. Mijn ziel was gekomen tot dicht bij de dood, Mijn leven dicht bij de onderwereld;
7Cercaram-me por todos os lados, e não havia quem me ajudasse. Procurei auxílio humano, mas não havia nenhum.
7Ik wendde mij naar alle kant, Maar er was niemand, die hielp; Ik zag uit naar een stut, Maar er was er niet één.
8Então me lembrei de tua misericórdia, ó Senhor, e de tuas obras desde a eternidade, de como livras os que esperam em ti e os salvas das mãos de seus inimigos.
8Toen dacht ik aan Jahweh's barmhartigheid terug, En aan zijn goedheid van weleer: Hoe Hij redt, die op Hem vertrouwen, En hen van alle kwaad verlost!
9Elevei da terra minha oração e pedi que me livrasses da morte.
9Daarom verhief ik mijn stem van omlaag, Van de poorten der onderwereld rees mijn gebed.
10Clamei ao Senhor, Pai de meu Senhor, para que não me abandonasse nos dias da aflição, no tempo em que não havia auxílio contra os orgulhosos.
10Ik riep: “Jahweh, mijn Vader zijt Gij, Gij zijt de Held, die mij redt! Verlaat mij niet op de dag van benauwing, Op de dag van val en ondergang. Dan zal ik altijd uw Naam blijven loven, U blijven roemen in mijn gebed.”
11Louvarei continuamente teu nome. Cantarei louvores com ação de graças. Minha oração foi ouvida.
11En Jahweh luisterde naar mijn stem, En gaf gehoor aan mijn smeken; Hij verloste mij van alle kwaad, En redde mij op de dag van benauwing.
12Tu me salvaste da destruição e me livraste do tempo mau. Por isso te darei graças e te louvarei e bendirei o nome do Senhor.
12Daarom zal ik loven en prijzen En blijven zegenen de Naam van Jahweh!
13Quando eu ainda era jovem, antes de viajar para longe, busquei abertamente a sabedoria em minha oração.
13Toen ik nog jong was en niet rondreisde, Vroeg ik reeds wijsheid in mijn gebed;
14Diante do templo pedi por ela, e continuarei a procurá-la até o fim.
14Voor de ingang van de tempel bad ik erom, En hield niet op, er naar te streven.
15Desde a primeira flor até a uva madura, meu coração se alegrou nela. Meu pé andou em retidão, e desde a juventude segui seus passos.
15Zij gedijde als een rijpende druif, En mijn hart vond in haar zijn genot. Mijn voet ging de weg van haar waarheid, Van mijn jeugd af volgde ik haar spoor;
16Inclinei um pouco o ouvido e a recebi, e encontrei para mim muita instrução.
16Ik heb mijn oor slechts een weinig te luisteren gelegd, Maar veel kennis heb ik gevonden.
17Progredi por meio dela; darei glória àquele que me dá sabedoria.
17Haar juk werd mijn roem; Hem, die mij leerde, geef ik de eer.
18Pois decidi praticá-la. Tive zelo pelo que é bom e jamais serei envergonhado.
18Zonder rust zag ik naar haar uit, En werd niet beschaamd, want ik heb haar gevonden.
19Minha alma lutou por ela, e fui cuidadoso em minha conduta. Estendi as mãos para o céu e lamentei minha ignorância a respeito dela.
19Mijn ziel bleef haar altijd verkleefd; Ik zocht haar bij al mijn daden. Mijn hand opende haar poort; Ik trad bij haar binnen en aanschouwde haar.
20Dirigi minha alma para ela e a encontrei em pureza. Desde o princípio, conquistei um coração unido a ela; por isso não serei abandonado.
20Ik legde mij erop toe, haar te volgen, En heb haar in reinheid gevonden. Van de aanvang af heb ik door haar inzicht verkregen; Daarom zal ik haar nimmer verlaten.
21Meu íntimo se agitou para procurá-la, e por isso obtive uma boa posse.
21Mijn binnenste brandde om haar te vinden; Daarom verwierf ik een heerlijk bezit.
22O Senhor me deu uma língua como recompensa, e com ela eu o louvarei.
22Jahweh gaf mij welbespraaktheid als loon; Daarom prijs ik Hem met mijn tong.
23Aproximem-se de mim, todos vocês que não receberam instrução, e habitem na casa da instrução.
23Komt dus tot mij, onverstandigen, En wilt in mijn leerschool vertoeven.
24Por que ainda lhes faltam essas coisas, e por que suas almas têm tanta sede?
24Hoelang nog wilt gij dit alles ontberen, Terwijl uw ziel er naar dorst?
25Abri minha boca e disse: “Adquiram a sabedoria sem dinheiro.”
25Ik open mijn mond, en roep u toe: Koopt u wijsheid zonder geld;
26Coloquem o pescoço debaixo de seu jugo e deixem sua alma receber instrução. Ela está perto e pode ser encontrada.
26Buigt uw nek onder haar juk, Uw ziel drage haar last. Zij is dicht bij hen, die haar zoeken, En wie zich moeite geeft, zal haar vinden.
27Vejam com seus próprios olhos como trabalhei apenas um pouco e encontrei para mim grande descanso.
27Ziet met eigen ogen, hoe weinig ik zwoegde, En hoe groot de rust is, die ik vond.
28Adquiram instrução ainda que por grande quantidade de prata e obtenham por meio dela muito ouro.
28Luistert in uw jeugd naar mijn onderricht; Gij verwerft daardoor veel zilver en goud.
29Que sua alma se alegre na misericórdia dele, e que vocês não sejam envergonhados ao louvá-lo.
29Wanneer uw ziel in mijn leer haar genot vindt, Stelt mijn lofzang u niet teleur.
30Realizem seu trabalho antes que chegue o tempo, e no tempo dele ele lhes dará sua recompensa.
30Verricht uw werken in gerechtigheid, En Hij geeft u te zijner tijd uw loon!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.