Sirácida
Chapter 22
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O preguiçoso é comparável a uma pedra imunda; todos assobiarão contra ele por causa de sua desonra.
1De luiaard gelijkt op een smerige steen: Iedereen geeft af op zijn schande.
2O preguiçoso é comparável à sujeira de um monte de esterco; quem a pegar sacudirá a mão.
2Een luiaard gelijkt op het vuil van de mesthoop: Ieder, die het aanraakt, veegt zijn hand af.
3Um filho sem disciplina é vergonha para o pai, e uma filha insensata nasce para sua perda.
3Een tuchteloos meisje is een schande voor haar vader; Zo'n dochter berokkent hem oneer.
4Uma filha prudente encontrará marido, mas a que traz vergonha causa tristeza ao pai.
4Een verstandige dochter vindt haar man; Een eerloze echter wordt een smart voor haar vader.
5A mulher arrogante envergonha o pai e o marido e será desprezada por ambos.
5De schaamteloze maakt vader en man te schande, En wordt door beiden veracht.
6Conversa fora de hora é como música em tempo de luto, mas disciplina e correção são sabedoria em qualquer ocasião.
6Een ontijdig woord is als muziek ten tijde van rouw, Maar slagen en tucht zijn altijd wijsheid.
7Quem ensina um insensato é como quem cola cacos de cerâmica ou como quem acorda alguém de um sono profundo.
no verse 7 in this text
8Quem ensina um insensato é como quem fala com alguém adormecido; no fim ele perguntará: “O que foi?”
no verse 8 in this text
no verse 9 in this text
9Wie een dwaas onderricht, lijmt scherven aaneen, Maakt een slaper wakker uit diepe rust.
no verse 10 in this text
10Wie spreekt tot een dwaas, spreekt tot iemand, die droomt; Ten slotte zal hij zeggen: “Wat is er?”
11Chore pelo morto, pois ele perdeu a luz; chore pelo insensato, pois lhe falta entendimento. Chore mais suavemente pelo morto, porque ele encontrou descanso, mas a vida do insensato é pior que a morte.
11Ween over een dode, want het licht ging uit; Ween ook over een dwaas, want het verstand is heen. Ween minder over een dode, want hij heeft rust bekomen; Maar het leven van een dwaas is erger nog dan de dood.
12O luto pelo morto dura sete dias, mas pelo insensato e pelo ímpio dura todos os dias de sua vida.
12Zeven dagen moet men een dode bewenen, Maar den dwaas en goddeloze geheel zijn leven.
13Não fale demais com um insensato nem procure aquele que não tem entendimento. Tenha cuidado com ele, para que você não tenha problemas nem seja contaminado por suas investidas. Afaste-se dele, e encontrará descanso, e não se cansará com sua loucura.
13Spreek niet veel met een dwaas, En ga niet om met onverstand; Wacht u voor hem, om geen last te hebben, En niet door zijn aanraking te worden besmet. Ontwijk hem, en ge zult rust vinden, En geen last hebben van zijn dwaasheid.
14O que é mais pesado que o chumbo? E que outro nome ele tem senão “insensato”?
14Wat is er zwaarder dan lood? Is zijn naam niet “een zot”?
15Areia, sal e uma massa de ferro são mais fáceis de carregar do que um homem sem entendimento.
15Zand en zout en ijzerklompen Zijn lichter te dragen dan een overstandig mens.
16Madeira ajustada e firmemente presa numa construção não se solta com o tremor; assim também um coração firmado, no tempo certo, sobre conselho bem pensado não terá medo.
16Houten spanten, bij het bouwen verbonden, Laten bij geen schokken los; Zo zal het hart, dat vasthoudt aan een welberaamd plan, Geen ogenblik van zijn stuk geraken.
17Um coração firmado num entendimento refletido é como um ornamento de gesso numa parede polida.
17Een hart, dat zich verlaat op een verstandig besluit, Is sterk als een glad gepleisterde muur;
18Cercas colocadas num lugar alto não resistem ao vento; assim também o coração medroso na imaginação do insensato não resistirá a nenhum temor.
18Maar stenen zonder kalk op elkaar gestapeld, Houden geen stand voor de storm. Zo is het hart, dat de plannen vreest van een dwaas, Tegen geen enkele angst bestand.
19Quem fere o olho faz as lágrimas correrem; quem fere o coração desperta sentimentos.
19Wie in het oog prikt, doet tranen vloeien, Wie prikt in het hart, wekt gevoeligheid op;
20Quem joga uma pedra nos pássaros os afugenta, e quem insulta um amigo desfaz a amizade.
20Wie een steen gooit naar vogels, jaagt ze weg, Wie zijn vriend beschimpt, verbreekt de vriendschap.
21Se você puxou a espada contra um amigo, não perca a esperança, pois ainda pode haver reconciliação.
21Al trekt getegen uw vriend ook het zwaard, Wanhoop niet: het komt weer terecht;
22Se você abriu a boca contra um amigo, não tenha medo, pois ainda pode haver reconciliação, a menos que tenha havido insulto, arrogância, revelação de segredo ou golpe traiçoeiro; por causa dessas coisas qualquer amigo fugirá.
22Al zet ge een mond op tegen uw vriend, Wees niet bevreesd; het kan nog worden hersteld; Maar voor schimpen, trots en geheimen verklappen, Voor geniepige zetten gaat iedere vriend op de loop.
23Conquiste a confiança de seu próximo enquanto ele estiver na pobreza, para que, na prosperidade dele, você possa se alegrar. Permaneça fiel a ele no tempo da aflição, para que participe com ele de sua herança.
23Blijf uw vriend in armoe trouw, Opdat ge ook in zijn voorspoed moogt delen. Verlaat hem niet ten tijde van nood; Dan deelt ge ook in zijn welvaart.
24Antes do fogo vêm o vapor e a fumaça da fornalha; assim também os insultos vêm antes do derramamento de sangue.
24Vóór het vuur geeft de oven rook en smook: Zo gaat schelden aan bloedvergieten vooraf.
25Não me envergonharei de proteger um amigo nem me esconderei de sua presença.
25Nooit zal ik me schamen, een vriend te beschermen, En nooit zal ik me voor hem verbergen;
26Se algum mal me acontecer por causa dele, todos os que ouvirem falar disso terão cuidado com ele.
26En al zou hij mij soms met kwaad vergelden, Ieder, die het hoort, zal zich dan voor hem wachten.
27Quem colocará uma guarda sobre minha boca e um selo de prudência sobre meus lábios, para que eu não caia por causa deles e minha língua não me destrua?
27Wie geeft mij een wacht op mijn mond, Een goedsluitend zegel op mijn lippen, Opdat ik er niet door ten val moge komen, En mijn tong mij niet in het verderf moge storten?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.