Sirácida 25
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tenho prazer em três coisas, e elas são belas diante do Senhor e dos homens: a harmonia entre irmãos, a amizade entre vizinhos e uma mulher e seu marido vivendo em união.
1In drie dingen vindt mijn ziel behagen; Want lieflijk zijn ze voor God en de mensen: Eendracht onder broeders, liefde voor den evenmens, En man en vrouw, die bij elkander goed passen.
2Mas minha alma odeia três tipos de pessoas, e a vida delas me causa grande repulsa: o pobre arrogante, o rico mentiroso e o velho insensato e adúltero.
2Maar drie soorten mensen haat mijn ziel; Een diepe afschuw heb ik van hun leven: Een trotsen arme, een rijken bedrieger, En een overspeligen grijsaard, zonder verstand.
3Se você nada ajuntou na juventude, como encontrará alguma coisa na velhice?
3Als ge niet opspaart in uw jeugd, Hebt ge niets in voorraad, als ge oud zijt!
4Como é belo o julgamento nos cabelos brancos e o bom conselho entre os idosos!
4Hoe schoon staat de grijze haren het oordeel, De ouden, goede raad te weten.
5Como é bela a sabedoria dos idosos e o entendimento e o conselho nos homens honrados!
5Hoe schoon past wijsheid bij grijsaards, Overleg en raad bij mannen van aanzien.
6A grande experiência é a coroa dos idosos, e sua glória é o temor do Senhor.
6Rijke ervaring is de kroon der bejaarden, Maar hun roem is de vreze des Heren.
7Pensei em nove coisas e as considerei felizes em meu coração, e a décima proclamarei com minha língua: o homem que encontra alegria em seus filhos e aquele que vive para ver a queda de seus inimigos.
7Negen dingen ken ik, die ik prijs in het hart, En het tiende neem ik op de tong: Een man, die vreugde ondervindt van zijn kinderen, En hij, die de val van zijn vijanden beleeft.
8Feliz é quem vive com uma esposa de entendimento, quem não tropeçou com a língua e quem não serviu a um homem indigno dele.
8Gelukkig, wie samenwoont met een verstandige vrouw, En hij, die niet ploegt met os en ezel tezamen; Gelukkig, wie niet struikelt door de tong, En hij, die niet zijn mindere hoeft te dienen.
9Feliz é quem encontrou prudência e quem fala aos ouvidos daqueles que escutam.
9Gelukkig, wie een vriend mocht vinden, En hij, die spreekt voor luisterende oren.
10Como é grande quem encontrou sabedoria! Mas ninguém é maior que aquele que teme o Senhor.
10Hoe groot is hij, die wijsheid vond; Maar niemand gaat hem te boven, die Jahweh vreest!
11O temor do Senhor supera todas as coisas. A quem se pode comparar aquele que o possui?
11De vreze des Heren gaat alles te boven; Wie haar bezit, met wien zal men hem vergelijken?
no verse 12 in this text
12De vreze des Heren is het begin van de liefde; Maar het geloof is het begin van onze verbinding met Hem.
13Qualquer ferida, menos a ferida do coração! Qualquer maldade, menos a maldade de uma mulher!
13Liever iedere wonde dan een hartewonde, Iedere boosheid dan vrouwenboosheid;
14Qualquer calamidade, menos a calamidade causada pelos que me odeiam! Qualquer vingança, menos a vingança dos inimigos!
14Iedere tegenkanting dan die van haters, Iedere wraak dan die van vijanden.
15Não há veneno pior que o veneno de uma serpente, nem ira pior que a ira de um inimigo.
15Geen vergif is erger dan slangenvergif, Geen toorn heviger dan vrouwentoorn.
16Eu preferiria morar com um leão e um dragão a viver numa casa com uma mulher perversa.
16Ik wil liever wonen met een leeuw of een draak, Dan huizen bij een kwade vrouw.
17A maldade de uma mulher muda sua aparência e escurece seu rosto como o de uma ursa.
17Boosheid vertrekt het gelaat van een vrouw, En maakt haar uiterlijk nors als dat van een beer;
18Seu marido se sentará entre os vizinhos e, quando ouvir falar dela, suspirará amargamente.
18Al zit haar man in de kring van zijn vrienden, Onwillekeurig moet hij zuchten.
19Toda malícia é pequena em comparação com a malícia de uma mulher; que a porção do pecador caia sobre ela.
19Geen kwelling is groter dan die van een vrouw; Moge het lot van de zondaars haar treffen!
20Assim como subir uma colina arenosa é difícil para os pés de um idoso, assim é uma esposa que fala demais para um homem tranquilo.
20Als een zandige helling voor oude voeten, Is een praatzieke vrouw voor een rustig man.
21Não se deixe prender pela beleza de uma mulher nem deseje uma mulher por causa de sua beleza.
21Laat u niet verleiden door de schoonheid van een vrouw, en koester geen begeerten naar wat ze bezit;
22Há ira, insolência e grande vergonha quando uma mulher sustenta o marido.
22Want het is een harde slavernij en een schande, Als een man wordt onderhouden door zijn vrouw.
23Uma mulher perversa traz abatimento de coração, tristeza no rosto e coração ferido. A mulher que não faz feliz o marido é como mãos caídas e joelhos enfraquecidos.
23Een boze vrouw bezorgt een bedrukt gemoed, Een treurig gelaat en harteleed; Slappe handen en knikkende knieën, Al wie haar man niet gelukkig maakt.
24O princípio do pecado veio por meio de uma mulher, e por causa dela todos nós morremos.
24Van een vrouw kwam het begin van de zonde; Om haar moeten wij allen sterven.
25Não dê passagem à água nem liberdade de fala a uma mulher perversa.
25Geef geen vrije loop aan het water, Geen vrijheid aan een boze vrouw.
26Se ela não agir conforme você orientar, separe-a de sua própria carne.
26Als ze niet wandelt aan uw hand, Zal ze u beschamen tegenover uw vijanden. Snijd haar dan af van uw vlees, Opdat zij u niet blijve misbruiken.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.