Sirácida
Chapter 47
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Depois dele, Natã se levantou para profetizar nos dias de Davi.
1Na hem trad Natan op, En stond voor het aanschijn van David.
2Como a gordura separada do sacrifício de comunhão, assim Davi foi separado dentre os filhos de Israel.
2Ja, zoals het vet wordt afgezonderd van het offer, Zo David van Israël.
3Brincou com leões como se fossem cabritos e com ursos como se fossem cordeiros do rebanho.
3Hij speelde met leeuwen als met lammeren, Met beren als met jonge schapen.
4Em sua juventude, não matou ele um gigante e removeu a vergonha do povo, quando levantou a mão com uma pedra na funda e derrubou o arrogante Golias?
4In zijn jonge jaren sloeg hij den reus, En nam de schande weg van het volk; Door de hand aan de slinger te slaan, Brak hij de trots van Goliat.
5Pois ele clamou ao Senhor Altíssimo, e o Senhor lhe deu força na mão direita para matar um homem poderoso na guerra e exaltar o poder de seu povo.
5Want hij riep tot den allerhoogsten God, En Deze gaf kracht aan zijn hand, Om den ervaren krijgsman neer te vellen, En de hoorn van zijn volk te verheffen.
6Por isso o glorificaram por suas dezenas de milhares e o louvaram pelas bênçãos do Senhor, porque lhe foi dado um diadema glorioso.
6Daarom zongen de meisjes hem toe, En prezen hem met “Tienduizend”. Toen hij de kroon droeg, voerde hij krijg,
7Pois destruiu os inimigos ao redor e derrotou seus adversários filisteus. Quebrou seu poder até o dia de hoje.
7En vernederde den vijand in het rond; Hij sloeg de grimmige Filistijnen te pletter, En brak hun hoorn tot de dag van vandaag.
8Em todas as suas obras, deu graças ao Santo Altíssimo com palavras de glória. Cantou louvores de todo o coração e amou aquele que o fez.
8Bij al zijn daden gaf hij lof Aan den allerhoogsten God in psalmgezangen. Hij beminde zijn Schepper uit geheel zijn hart, En loofde Hem iedere dag opnieuw;
9Colocou cantores diante do altar para produzirem doce melodia com sua música.
9Hij zorgde voor muziekinstrumenten bij het altaar, Voor harpen bij het psalmenzingen.
10Deu beleza às festas e organizou plenamente os tempos determinados, enquanto louvavam o santo nome do Senhor e o santuário ressoava desde cedo.
10Zo zette hij luister bij aan de feesten, En vierde ze het hele jaar door; Van het loven van zijn heilige Naam Weerschalde het heiligdom reeds voor de dageraad.
11O Senhor tirou seus pecados e exaltou seu poder para sempre. Deu-lhe uma aliança real e um trono glorioso em Israel.
11Jahweh vergaf hem ook zijn zonden, En verhief voor immer zijn hoorn. Want Hij gaf hem recht op het koningschap En bevestigde zijn troon over Israël;
12Depois dele se levantou um filho sábio, que por causa dele viveu em segurança.
12Om zijnentwil stond een zoon na hem op, Een wijs man, die ongestoord woonde.
13Salomão reinou em dias de paz. Deus lhe deu descanso ao redor, para que construísse uma casa para seu nome e preparasse um santuário para sempre.
13Salomon was koning in dagen van vrede; Want God schonk hem rust in het rond, Opdat hij zijn Naam een huis zou bouwen, En een heiligdom zou stichten voor immer.
14Como você se tornou sábio em sua juventude e se encheu de entendimento como um rio!
14Wat bezat gij verstand in uw jeugd, En vloeide gij over van wijsheid als de Nijl.
15Sua influência cobriu a terra, e você a encheu de parábolas e enigmas.
15Gij hebt de aarde bedekt met uw geest, En haar met raadselspreuken vervuld.
16Seu nome chegou às ilhas distantes, e você foi amado por causa de sua paz.
16Uw naam drong tot de verre eilanden door; Gij waart bemind om uw vrede.
17Por causa de seus cânticos, provérbios, parábolas e interpretações, as nações ficaram maravilhadas com você.
17Door zangen en spreuken, door raadsels en verzen, Hebt gij de volkeren in verbazing gebracht.
18Pelo nome do Senhor Deus, chamado Deus de Israel, você ajuntou ouro como estanho e multiplicou prata como chumbo.
18Gij werdt genoemd naar de heerlijke Naam, Die over Israël wordt aangeroepen. Maar gij hebt goud verzameld als ijzer, En zilver opgehoopt als lood;
19Você se curvou diante de mulheres e, em seu corpo, foi levado à submissão.
19Gij hebt uw lenden gegeven aan vrouwen, En haar laten heersen over uw lichaam.
20Você manchou sua honra e profanou sua descendência, trazendo ira sobre seus filhos. Houve tristeza por sua insensatez,
20Zo hebt gij een smet geworpen op uw roem; Gij hebt uw sponde ontwijd, Zodat gij toorn bracht over uw geslacht En zuchten over uw huis;
21porque a soberania foi dividida e de Efraim passou a governar um reino desobediente.
21Het volk viel in twee rijken uiteen, Uit Efraïm groeide een onwettig rijk.
22Mas o Senhor jamais abandonará sua misericórdia. Não destruirá nenhuma de suas obras nem apagará os descendentes de seus escolhidos. Não tirará a descendência daquele que o amou. Deu um remanescente a Jacó e a Davi uma raiz de sua própria família.
22Maar God trekt zijn barmhartigheid niet terug; Hij laat geen van zijn beloften zonder vervulling; Hij houwt de stam van zijn uitverkorenen niet af, Roeit het geslacht niet uit van wie Hem beminnen, Neen, Hij laat aan Jakob een rest, Aan het huis van David een nieuwe spruit!
23Assim Salomão descansou com seus antepassados. Entre seus descendentes, deixou Roboão, a insensatez do povo, um homem sem entendimento, que por seu conselho fez o povo se revoltar. Também deixou Jeroboão, filho de Nebate, que fez Israel pecar e abriu para Efraim um caminho de pecado.
23Salomon ontsliep hoogbejaard, En liet een zoon na, vol overmoed, Groot in dwaasheid en klein van verstand, Roboam, die door zijn besluit het volk deed afvallen.
24Seus pecados se multiplicaram enormemente, até que foram removidos de sua terra.
24Toen stond er een op: zijn aandenken worde vergeten: Jeroboam, de zoon van Nebat. Hij was het, die Israël tot zonde bracht, En ergernis gaf aan Efraïm.
25Pois procuraram todo tipo de maldade, até que a vingança veio sobre eles.
25Want hun zonde werd hoe langer hoe groter, En zij gaven zich over aan allerlei kwaad; Totdat de vergelding over hen kwam, En zij verdreven werden uit hun land.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.