Sirácida
Chapter 7
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Não faça o mal, e o mal não alcançará você.
1Doe geen kwaad, dan treft u geen kwaad;
2Afaste-se da injustiça, e ela se afastará de você.
2Houd u ver van de zonde, dan wijkt ze van u.
3Meu filho, não semeie nos sulcos da injustiça, e você não a colherá sete vezes.
3Zaai geen wind tegen uw broeder, Want zevenvoudig zoudt ge hem maaien.
4Não procure do Senhor uma posição de destaque nem do rei um lugar de honra.
4Vraag van God geen heerschappij, Noch een erezetel van den koning;
5Não se declare justo diante do Senhor nem exiba sua sabedoria diante do rei.
5Reken uzelf niet rechtvaardig voor God, En speel voor den koning niet den wijze.
6Não procure ser juiz se não for capaz de eliminar a injustiça, para que não tema a presença de um poderoso e ponha uma pedra de tropeço no caminho de sua integridade.
6Streef er niet naar, een ambt te bekleden, Zo ge de overmoed niet kunt breken; Anders gaat ge wellicht voor een machtige op zij, En laadt ge een smet op uw eerlijkheid.
7Não peque contra a multidão da cidade nem desonre a si mesmo diante do povo.
7Bezondig u niet in de bijeenkomst aan de poort, En breng u niet ten val in de gemeente;
8Não cometa o mesmo pecado duas vezes, pois nem por um só ficará sem castigo.
8Waag het niet, uw fout te herhalen, Want reeds de eerste maal blijft ge niet ongestraft.
9Não diga: “Ele olhará para a quantidade de minhas ofertas. Quando eu oferecer ao Deus Altíssimo, ele as aceitará.”
9Denk niet: Hij zal wel neerzien op mijn vele gaven; Als ik den Allerhoogste maar offer, neemt Hij mij aan.
10Não seja desanimado em sua oração nem deixe de dar esmolas.
10Wil uw gebeden niet verkorten, En stel de gerechtigheid niet uit.
11Não zombe de alguém que esteja na amargura de sua alma, pois há alguém que humilha e também exalta.
11Zie nooit minachtend op een ongelukkige neer; Bedenk, dat er Eén is, die verheft en vernedert.
12Não invente uma mentira contra seu irmão nem faça isso contra um amigo.
12Beraam geen misdaad tegen uw broeder, Noch tegen een vriend of tegen een buur.
13Recuse-se a dizer qualquer mentira, pois esse hábito não produz nada de bom.
13Schep geen behagen in leugen op leugen; Want daarop vertrouwen brengt geen zegen.
14Não fale demais na assembleia dos anciãos nem repita suas palavras em sua oração.
14Wees geen prater in de bijeenkomst der groten, En gebruik niet veel woorden, als gebidt.
15Não deteste o trabalho árduo nem o trabalho do campo, que o Altíssimo criou.
15Wees niet afkerig van moeilijke arbeid, Noch van de landbouw, door God zo gewild.
16Não se conte entre a multidão dos pecadores. Lembre-se de que a ira não tardará.
16Schat u niet hoger dan uw medeburgers; Bedenk, dat de toorn niet zal uitblijven.
17Humilhe profundamente sua alma, pois o castigo do ímpio é fogo e verme.
17Verneder uw hoogmoed, zo diep gij kunt; Want het einde van den mens is de worm. Zeg niet te gauw: Wat is dat een ramp! Laat het over aan God, en aanvaard zijn beschikking.
18Não troque um amigo por lucro, nem um irmão verdadeiro pelo ouro de Ofir.
18Ga een vriend niet verruilen voor geld, Of een trouwen broeder voor goud van Ofir.
19Não abra mão de uma esposa sábia e boa, pois sua graça vale mais do que ouro.
19Een verstandige vrouw moet ge niet verachten; Want bevallige schoonheid gaat boven paarlen.
20Não maltrate o servo que trabalha fielmente nem o trabalhador contratado que entrega sua vida ao trabalho por você.
20Wees niet hard voor een slaaf, die trouw voor u werkt, Noch voor een knecht, die u vol toewijding dient;
21Ame de coração um servo sábio e não o prive da liberdade.
21Bemin een verstandigen slaaf als uzelf, En weiger hem de vrijheid niet.
22Você tem gado? Cuide dele. Se lhe for útil, conserve-o com você.
22Draag ook zorg voor uw vee, En doe het niet weg, zolang het van nut is.
23Você tem filhos? Discipline-os e ensine-os a obedecer desde a juventude.
23Hebt ge zonen: houd ze in tucht, En neem voor hen vrouwen, als ze nog jong zijn.
24Você tem filhas? Cuide do corpo delas e não seja indulgente demais com elas.
24Hebt ge dochters: draag dan zorg voor haar reinheid; Ga niet uitgelaten met ze om.
25Dê sua filha em casamento, e terá realizado uma grande tarefa. Entregue-a a um homem de entendimento.
25Huw uw dochter uit en uw taak is volbracht; Maar geef haar ten huwelijk aan een verstandig man.
26Você tem uma esposa que lhe agrada? Não a abandone. Mas não se entregue a uma mulher que você detesta.
26Hebt ge een vrouw, verstoot haar niet; En huw niet een, die gescheiden is.
27Honre seu pai de todo o coração e não se esqueça das dores de parto de sua mãe.
27Eer uw vader met heel uw hart, En vergeet nooit de smarten van uw moeder.
28Lembre-se de que você nasceu deles. Como poderá retribuir aquilo que fizeram por você?
28Bedenk, dat ge aan hen het bestaan hebt te danken; Wat kunt ge hun geven, voor wat zij gaven aan u?
29Tema o Senhor com toda a sua alma e reverencie seus sacerdotes.
29Heb vreze voor God, met heel uw hart, En eerbied voor zijn priesters;
30Ame com toda a sua força aquele que fez você e não abandone seus ministros.
30Bemin uw Schepper met heel uw kracht, En laat zijn dienaars niet in de steek.
31Tema o Senhor e honre o sacerdote. Dê-lhe sua porção, conforme lhe foi ordenado: as primícias, a oferta pela culpa, a oferta das espáduas, o sacrifício de santificação e as primícias das coisas santas.
31Eer God en eerbiedig den priester, En geef hem zijn aandeel, zoals het u is voorgeschreven: Het brood, de zoenoffers, en de hefoffers, De reinigingsoffers en de heilige tienden.
32Estenda também sua mão ao pobre, para que sua bênção seja completa.
32Reik echter ook den arme uw hand, Opdat uw zegen volkomen zij.
33Uma dádiva traz favor diante de todo ser vivo. Não deixe de demonstrar bondade também para com os mortos.
33Geef aan alle levenden uw gaven, En weiger ook de doden uw liefde niet.
34Não evite os que choram; chore com os que choram.
34Houd u niet ver van die wenen, Maar treur met hen, die bedroefd zijn;
35Não demore em visitar o doente, pois por meio dessas coisas você conquistará amor.
35Trek uw hart niet af van den zieke, En ge zult door hem worden bemind.
36Em todas as suas palavras, lembre-se da eternidade, e jamais pecará.
36Bij al uw handelen denk aan het einde, En in eeuwigheid zult ge niet zondigen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.