Iesu Filii Sirach
Chapter 7
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Iesu Filii Sirach 7

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Noli facere mala, et non te apprehendent:
1Doe geen kwaad, dan treft u geen kwaad;
2discede ab iniquo, et deficient mala abs te.
2Houd u ver van de zonde, dan wijkt ze van u.
3Fili, non semines mala in sulcis injustitiæ, et non metes ea in septuplum.
3Zaai geen wind tegen uw broeder, Want zevenvoudig zoudt ge hem maaien.
4Noli quærere a Domino ducatum, neque a rege cathedram honoris.
4Vraag van God geen heerschappij, Noch een erezetel van den koning;
5Non te justifices ante Deum, quoniam agnitor cordis ipse est: et penes regem noli velle videri sapiens.
5Reken uzelf niet rechtvaardig voor God, En speel voor den koning niet den wijze.
6Noli quærere fieri judex, nisi valeas virtute irrumpere iniquitates: ne forte extimescas faciem potentis, et ponas scandalum in æquitate tua.
6Streef er niet naar, een ambt te bekleden, Zo ge de overmoed niet kunt breken; Anders gaat ge wellicht voor een machtige op zij, En laadt ge een smet op uw eerlijkheid.
7Non pecces in multitudinem civitatis, nec te immittas in populum:
7Bezondig u niet in de bijeenkomst aan de poort, En breng u niet ten val in de gemeente;
8neque alliges duplicia peccata, nec enim in uno eris immunis.
8Waag het niet, uw fout te herhalen, Want reeds de eerste maal blijft ge niet ongestraft.
9Noli esse pusillanimis in animo tuo:
9Denk niet: Hij zal wel neerzien op mijn vele gaven; Als ik den Allerhoogste maar offer, neemt Hij mij aan.
10exorare et facere eleemosynam ne despicias.
10Wil uw gebeden niet verkorten, En stel de gerechtigheid niet uit.
11Ne dicas: In multitudine munerum meorum respiciet Deus, et offerente me Deo altissimo, munera mea suscipiet.
11Zie nooit minachtend op een ongelukkige neer; Bedenk, dat er Eén is, die verheft en vernedert.
12Non irrideas hominem in amaritudine animæ: est enim qui humiliat et exaltat circumspector Deus.
12Beraam geen misdaad tegen uw broeder, Noch tegen een vriend of tegen een buur.
13Noli amare mendacium adversus fratrem tuum, neque in amicum similiter facias.
13Schep geen behagen in leugen op leugen; Want daarop vertrouwen brengt geen zegen.
14Noli velle mentiri omne mendacium: assiduitas enim illius non est bona.
14Wees geen prater in de bijeenkomst der groten, En gebruik niet veel woorden, als gebidt.
15Noli verbosus esse in multitudine presbyterorum, et non iteres verbum in oratione tua.
15Wees niet afkerig van moeilijke arbeid, Noch van de landbouw, door God zo gewild.
16Non oderis laboriosa opera, et rusticationem creatam ab Altissimo.
16Schat u niet hoger dan uw medeburgers; Bedenk, dat de toorn niet zal uitblijven.
17Non te reputes in multitudine indisciplinatorum.
17Verneder uw hoogmoed, zo diep gij kunt; Want het einde van den mens is de worm. Zeg niet te gauw: Wat is dat een ramp! Laat het over aan God, en aanvaard zijn beschikking.
18Memento iræ, quoniam non tardabit.
18Ga een vriend niet verruilen voor geld, Of een trouwen broeder voor goud van Ofir.
19Humilia valde spiritum tuum, quoniam vindicta carnis impii ignis et vermis.]
19Een verstandige vrouw moet ge niet verachten; Want bevallige schoonheid gaat boven paarlen.
20[Noli prævaricari in amicum pecuniam differentem, neque fratrem carissimum auro spreveris.
20Wees niet hard voor een slaaf, die trouw voor u werkt, Noch voor een knecht, die u vol toewijding dient;
21Noli discedere a muliere sensata et bona, quam sortitus es in timore Domini: gratia enim verecundiæ illius super aurum.
21Bemin een verstandigen slaaf als uzelf, En weiger hem de vrijheid niet.
22Non lædas servum in veritate operantem, neque mercenarium dantem animam suam.
22Draag ook zorg voor uw vee, En doe het niet weg, zolang het van nut is.
23Servus sensatus sit tibi dilectus quasi anima tua: non defraudes illum libertate, neque inopem derelinquas illum.
23Hebt ge zonen: houd ze in tucht, En neem voor hen vrouwen, als ze nog jong zijn.
24Pecora tibi sunt, attende illis: et si sunt utilia, perseverent apud te.
24Hebt ge dochters: draag dan zorg voor haar reinheid; Ga niet uitgelaten met ze om.
25Filii tibi sunt? erudi illos, et curva illos a pueritia illorum.
25Huw uw dochter uit en uw taak is volbracht; Maar geef haar ten huwelijk aan een verstandig man.
26Filiæ tibi sunt? serva corpus illarum, et non ostendas hilarem faciem tuam ad illas.
26Hebt ge een vrouw, verstoot haar niet; En huw niet een, die gescheiden is.
27Trade filiam, et grande opus feceris: et homini sensato da illam.
27Eer uw vader met heel uw hart, En vergeet nooit de smarten van uw moeder.
28Mulier si est tibi secundum animam tuam, non projicias illam: et odibili non credas te. In toto corde tuo
28Bedenk, dat ge aan hen het bestaan hebt te danken; Wat kunt ge hun geven, voor wat zij gaven aan u?
29honora patrem tuum, et gemitus matris tuæ ne obliviscaris:
29Heb vreze voor God, met heel uw hart, En eerbied voor zijn priesters;
30memento quoniam nisi per illos natus non fuisses: et retribue illis, quomodo et illi tibi.]
30Bemin uw Schepper met heel uw kracht, En laat zijn dienaars niet in de steek.
31[In tota anima tua time Dominum, et sacerdotes illius sanctifica.
31Eer God en eerbiedig den priester, En geef hem zijn aandeel, zoals het u is voorgeschreven: Het brood, de zoenoffers, en de hefoffers, De reinigingsoffers en de heilige tienden.
32In omni virtute tua dilige eum qui te fecit, et ministros ejus ne derelinquas.
32Reik echter ook den arme uw hand, Opdat uw zegen volkomen zij.
33Honora Deum ex tota anima tua, et honorifica sacerdotes, et propurga te cum brachiis.
33Geef aan alle levenden uw gaven, En weiger ook de doden uw liefde niet.
34Da illis partem, sicut mandatum est tibi, primitiarum et purgationis, et de negligentia tua purga te cum paucis.
34Houd u niet ver van die wenen, Maar treur met hen, die bedroefd zijn;
35Datum brachiorum tuorum, et sacrificium sanctificationis offeres Domino, et initia sanctorum.
35Trek uw hart niet af van den zieke, En ge zult door hem worden bemind.
36Et pauperi porrige manum tuam, ut perficiatur propitiatio et benedictio tua.
36Bij al uw handelen denk aan het einde, En in eeuwigheid zult ge niet zondigen.
37Gratia dati in conspectu omnis viventis, et mortuo non prohibeas gratiam.
no verse 37 in this text
38Non desis plorantibus in consolatione, et cum lugentibus ambula.
no verse 38 in this text
39Non te pigeat visitare infirmum: ex his enim in dilectione firmaberis.
no verse 39 in this text
40In omnibus operibus tuis memorare novissima tua, et in æternum non peccabis.]
no verse 40 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.