Iesu Filii Sirach 28
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Qui vindicari vult, a Domino inveniet vindictam, et peccata illius servans servabit.
1Wie zint op wraak, vindt wraak bij God; Deze rekent hem zeker zijn zonden toe.
2Relinque proximo tuo nocenti te, et tunc deprecanti tibi peccata solventur.
2Vergeef dus uw naaste het onrecht, Dan worden op uw bede ook uw zonden vergeven.
3Homo homini reservat iram, et a Deo quærit medelam:
3De ene mens koestert toorn tegen den ander; Toch verwacht hij genezing van God.
4in hominem similem sibi non habet misericordiam, et de peccatis suis deprecatur.
4Voor een mens, zijns gelijke, heeft hij geen erbarming; Toch bidt hij om vergiffenis van zonden!
5Ipse cum caro sit reservat iram, et propitiationem petit a Deo: quis exorabit pro delictis illius?
5Ofschoon ook hij vlees is, koestert hij wrok; Wie zal hem dan vergiffenis van zonden verwerven?
6Memento novissimorum, et desine inimicari:
6Denk aan de uitersten en houd op met uw vijandschap, Aan ontbinding en dood, en onderhoud de geboden;
7tabitudo enim et mors imminent in mandatis ejus.
7Denk aan de geboden en wrok niet tegen uw naaste, Aan het verbond van den Allerhoogste en vergeef zijn fout.
8Memorare timorem Dei, et non irascaris proximo.
8Wacht u voor twist, en ge vermindert uw zonden; Want een toornig mens doet de strijd ontbranden.
9Memorare testamentum Altissimi, et despice ignorantiam proximi.
9Een goddeloze zaait tweedracht zelfs tussen vrienden, En sticht vijandschap onder hen, die in vrede leven.
10Abstine te a lite, et minues peccata.
10Naar gelang het hout is, brandt het vuur; Hoe machtiger de mens, hoe feller zijn toorn. Zijn gramschap groeit met zijn rijkdom; En hoe heftiger men is, des te harder de strijd.
11Homo enim iracundus incendit litem, et vir peccator turbabit amicos, et in medio pacem habentium immittet inimicitiam.
11Hars en pek doen het vuur oplaaien; Onbezonnen strijd loopt op bloedvergieten uit.
12Secundum enim ligna silvæ sic ignis exardescit: et secundum virtutem hominis sic iracundia illius erit, et secundum substantiam suam exaltabit iram suam.
12Als ge een vonk aanblaast, vlamt ze op; Spuwt ge er op, ze dooft uit, al komt het allebei uit één mond.
13Certamen festinatum incendit ignem, et lis festinans effundit sanguinem: et lingua testificans adducit mortem.
13Vervloekt de lasteraar en de dubbele tong; Want zij hebben velen, die in vrede leefden, ongelukkig gemaakt.
14Si sufflaveris in scintillam, quasi ignis exardebit: et si exspueris super illam, extinguetur: utraque ex ore proficiscuntur.]
14De tong van een derde heeft de rust van velen verstoord, En ze opgejaagd van volk tot volk; Versterkte steden heeft ze gesloopt En paleizen van groten verwoest; Ze heeft de macht van volken gebroken, En sterke naties vernield.
15[Susurro et bilinguis maledictus, multos enim turbabit pacem habentes.
15De tong van een derde heeft wakkere vrouwen verdreven, En van de vrucht van haar arbeid beroofd;
16Lingua tertia multos commovit, et dispersit illos de gente in gentem.
16Wie er geloof aan slaat, heeft geen rust, Geen vrede meer in zijn huis.
17Civitates muratas divitum destruxit, et domus magnatorum effodit.
17Een slag met de gesel maakt striemen, Maar een slag van de tong slaat de beenderen stuk;
18Virtutes populorum concidit, et gentes fortes dissolvit.
18Velen zijn gesneuveld door de scherpte van het zwaard, Maar niet zo veel als er door de tong zijn gevallen.
19Lingua tertia mulieres viratas ejecit, et privavit illas laboribus suis.
19Gelukkig hij, die er voor bleef bewaard En geen prooi werd van haar woede, Die haar juk niet behoefde te slepen En met haar boeien niet werd gebonden.
20Qui respicit illam non habebit requiem, nec habebit amicum in quo requiescat.
20Want haar juk is een ijzeren juk, Haar boeien zijn koperen boeien;
21Flagelli plaga livorem facit: plaga autem linguæ comminuet ossa.
21Een vreselijke dood is de dood, die zij toebrengt, En de onderwereld is beter dan zij.
22Multi ceciderunt in ore gladii: sed non sic quasi qui interierunt per linguam suam.
22Over de rechtvaardigen heeft ze geen macht; Die worden door haar vlam niet gebrand.
23Beatus qui tectus est a lingua nequam, qui in iracundiam illius non transivit, et qui non attraxit jugum illius, et in vinculis ejus non est ligatus:
23Maar wie den Heer verlaten, worden haar prooi, In hen vat ze vlam en wordt niet gedoofd; Op hen wordt ze losgelaten als een leeuw, Als een panter zal ze hen verscheuren.
24jugum enim illius jugum ferreum est, et vinculum illius vinculum æreum est;
24Zie, uw wijngaard omheint ge met doornen; Stel deur en grendel dan ook aan uw mond!
25mors illius mors nequissima: et utilis potius infernus quam illa.
25Uw goud en zilver weegt ge zorgvuldig; Maak schaal en gewicht dan ook voor uw mond.
26Perseverantia illius non permanebit, sed obtinebit vias injustorum, et in flamma sua non comburet justos.
26Zie toe, dat ge niet door haar struikelt, En neervalt voor hem, die op u loert.
27Qui relinquunt Deum incident in illam, et exardebit in illis, et non extinguetur, et immittetur in illos quasi leo, et quasi pardus lædet illos.
no verse 27 in this text
28Sepi aures tuas spinis: linguam nequam noli audire: et ori tuo facito ostia et seras.
no verse 28 in this text
29Aurum tuum et argentum tuum confla, et verbis tuis facito stateram, et frenos ori tuo rectos:
no verse 29 in this text
30et attende ne forte labaris in lingua, et cadas in conspectu inimicorum insidiantium tibi, et sit casus tuus insanabilis in mortem.]
no verse 30 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.