Iesu Filii Sirach 44
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Laudemus viros gloriosos, et parentes nostros in generatione sua.
1Nu wil ik de vrome mannen prijzen, Onze vaderen, naar hun geslachten,
2Multam gloriam fecit Dominus: magnificentia sua a sæculo.
2Aan wie de Allerhoogste veel glorie gaf, Die groot waren in vroegere tijden:
3Dominantes in potestatibus suis, homines magni virtute et prudentia sua præditi, nuntiantes in prophetis dignitatem prophetarum:
3Heersers van landen door hun koningschap, Mannen van naam door hun kracht; Raadsheren door hun schranderheid, Profeten door hun voorzeggingen.
4et imperantes in præsenti populo, et virtute prudentiæ populis sanctissima verba:
4Leiders van volkeren door hun plannen, Vorsten door hun scherpzinnigheid; Wijze denkers door hun geleerdheid, Bestuurders door hun waakzaamheid.
5in peritia sua requirentes modos musicos, et narrantes carmina Scripturarum:
5Zangers van psalmen op maat, Dichters van spreuken op schrift;
6homines divites in virtute, pulchritudinis studium habentes, pacificantes in domibus suis.
6Mannen van rijkdom, steunend op hun kracht, Vreedzaam wonend in hun oord.
7Omnes isti in generationibus gentis suæ gloriam adepti sunt, et in diebus suis habentur in laudibus.
7Zij allen stonden bij hun tijdgenoten in ere, En waren in hun dagen beroemd;
8Qui de illis nati sunt reliquerunt nomen narrandi laudes eorum.
8Sommigen van hen verwierven een naam, Zodat men van hen met lof bleef gewagen.
9Et sunt quorum non est memoria: perierunt quasi qui non fuerint: et nati sunt quasi non nati, et filii ipsorum cum ipsis.
9Toch waren er anderen, die men niet meer gedacht; Zodra ze vergingen, was het uit. Ze zijn, als waren ze er nimmer geweest, En hun kinderen eveneens.
10Sed illi viri misericordiæ sunt, quorum pietates non defuerunt.
10Maar de eersten waren vrome mannen, Wier hoop niet is vervlogen;
11Cum semine eorum permanent bona:
11Hun geluk houdt stand bij hun geslacht, Hun erfdeel blijft bij hun kinderen.
12hæreditas sancta nepotes eorum, et in testamentis stetit semen eorum:
12Hun kroost houdt vast aan Gods verbond, Hun kinderen, om hunnentwil;
13et filii eorum propter illos usque in æternum manent: semen eorum et gloria eorum non derelinquetur.
13Hun aandenken blijft voor immer, Hun gerechtigheid wordt niet vergeten.
14Corpora ipsorum in pace sepulta sunt, et nomen eorum vivit in generationem et generationem.
14In vrede werd hun lichaam begraven, Maar hun naam leeft voort van geslacht tot geslacht;
15Sapientiam ipsorum narrent populi, et laudem eorum nuntiet ecclesia.]
15Van hun wijsheid blijft de gemeente gewagen, En de vergadering verkondigt hun lof.
16[Enoch placuit Deo, et translatus est in paradisum, ut det gentibus pœnitentiam.
16Henok verkeerde met Jahweh en werd opgenomen: Een toonbeeld van wijsheid voor alle geslachten.
17Noë inventus est perfectus, justus, et in tempore iracundiæ factus est reconciliatio.
17Noë werd rechtschapen en onberispelijk bevonden; In de tijd der verdelging werd hij een nieuwe stam. Om zijnentwil bleef er een rest behouden, Om het verbond met hem hield de zondvloed op;
18Ideo dimissum est reliquum terræ, cum factum est diluvium.
18Een eeuwig verbond werd er met hem gesloten, Dat nooit meer alle vlees zou worden verdelgd.
19Testamenta sæculi posita sunt apud illum, ne deleri possit diluvio omnis caro.]
19Abraham werd de vader van vele volken; Er kleefde geen smet op zijn eer.
20[Abraham magnus pater multitudinis gentium, et non est inventus similis illi in gloria: qui conservavit legem Excelsi, et fuit in testamento cum illo.
20Want hij volbracht de bevelen van den Allerhoogste, En sloot met Hem een verbond; Hij sneed zich het verbond in zijn vlees, En werd trouw bevonden in de beproeving.
21In carne ejus stare fecit testamentum, et in tentatione inventus est fidelis.
21Daarom beloofde Hij hem onder ede: De volkeren te zegenen in zijn zaad, Hem talrijk te maken als het zand op de aarde, Als de sterren zijn zaad te verheffen, Een bezit hun te geven van zee tot zee, Van de Eufraat tot aan de grenzen der aarde.
22Ideo jurejurando dedit illi gloriam in gente sua, crescere illum quasi terræ cumulum,
22Ook aan Isaäk beloofde Hij hetzelfde, Om wille van Abraham, zijn vader.
23et ut stellas exaltare semen ejus, et hæreditare illos a mari usque ad mare, et a flumine usque ad terminos terræ.
23Daarna schonk Hij aan Israël het verbond der vaderen, En de zegen rustte op zijn hoofd. Want hèm stelde Hij in het eerstgeboorterecht, Aan hèm gaf Hij zijn erfbezit, Dat Hij had vastgesteld voor de stammen, Als een erfdeel voor de twaalf.
24Et in Isaac eodem modo fecit, propter Abraham patrem ejus.
no verse 24 in this text
25Benedictionem omnium gentium dedit illi Dominus, et testamentum confirmavit super caput Jacob.
no verse 25 in this text
26Agnovit eum in benedictionibus suis, et dedit illi hæreditatem, et divisit illi partem in tribubus duodecim.
no verse 26 in this text
27Et conservavit illi homines misericordiæ, invenientes gratiam in oculis omnis carnis.]
no verse 27 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.