Iesu Filii Sirach 34
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Vana spes et mendacium viro insensato: et somnia extollunt imprudentes.
1Ijdele en bedriegelijke hoop is goed voor een zot, En droomgezichten brengen de dwazen van streek;
2Quasi qui apprehendit umbram et persequitur ventum, sic et qui attendit ad visa mendacia.
2Zoals iemand naar een schaduw grijpt of de wind najaagt, Zo is hij, die op dromen vertrouwt.
3Hoc secundum hoc visio somniorum, ante faciem hominis similitudo hominis.
3Een droomgezicht: dat is het een in plaats van het ander; In plaats van een gelaat de schim van een gelaat.
4Ab immundo, quid mundabitur? et a mendace, quid verum dicetur?
4Wat reins kan er komen van iets dat onrein is; En welke waarheid van de leugen?
5Divinatio erroris, et auguria mendacia, et somnia malefacientium, vanitas est:
5Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn ijdel; Want het hart beeldt zich in, wat het hoopt.
6et sicut parturientis, cor tuum phantasias patitur. Nisi ab Altissimo fuerit emissa visitatio, ne dederis in illis cor tuum:
6Komen ze niet van den Allerhoogste als een openbaring, Schenk er dan geen aandacht aan.
7multos enim errare fecerunt somnia, et exciderunt sperantes in illis.
7Want de droom heeft reeds velen bedrogen, En die er op hoopten, teleurgesteld;
8Sine mendacio consummabitur verbum legis, et sapientia in ore fidelis complanabitur.]
8Maar de Wet gaat zonder bedrog in vervulling, De wijsheid in de mond van wetsgetrouwen komt uit.
9[Qui non est tentatus quid scit? vir in multis expertus cogitabit multa: et qui multa didicit enarrabit intellectum.
9Een man van ervaring weet veel; Want wie veel heeft beleefd, kan verstandig spreken.
10Qui non est expertus pauca recognoscit: qui autem in multis factus est, multiplicat malitiam.
10Wie niets ondervond, weet weinig; Maar wie veel heeft gereisd, deed veel kennis op.
11Qui tentatus non est qualia scit? qui implanatus est abundabit nequitia.
11Veel heb ik gezien op mijn tochten, En mij overkwam veel meer dan ik zeg:
12Multa vidi errando, et plurimas verborum consuetudines.
12Zelfs was ik vaak in doodsgevaren, Maar door Gods hulp werd ik eruit gered.
13Aliquoties usque ad mortem periclitatus sum horum causa, et liberatus sum gratia Dei.]
13De geest van die Jahweh vrezen, zal leven, Want hun hoop is op hun Redder gesteld.
14[Spiritus timentium Deum quæritur, et in respectu illius benedicetur.
14Wie Jahweh vreest, is niet beangst En niet versaagd, want Hij zelf is zijn hoop.
15Spes enim illorum in salvantem illos, et oculi Dei in diligentes se.
15Wie Jahweh vreest, gelukkig zijn ziel! Wie is het, op wien hij vertrouwt, en Wie is zijn steun?
16Qui timet Dominum nihil trepidabit: et non pavebit, quoniam ipse est spes ejus.
16De ogen van Jahweh rusten op wie Hem beminnen; Hij is een machtig schild en een sterke steun, Een beschutting tegen de hitte, een schaduw voor de middagzon, Een stut bij struikelen en een hulp bij vallen;
17Timentis Dominum, beata est anima ejus.
17Hij verkwikt de ziel, en verlicht de ogen, Hij schenkt genezing, leven en zegen.
18Ad quem respicit, et quis est fortitudo ejus?
18Een offer uit onrechtvaardig goed is een bezoedeld offer; Zo'n bespotting van de zondaren vindt geen behagen.
19Oculi Domini super timentes eum: protector potentiæ, firmamentum virtutis, tegimen ardoris, et umbraculum meridiani:
19De offers der zondaars zijn niet welgevallig aan God, En om de veelheid der offers vergeeft Hij geen zonden.
20deprecatio offensionis, et adjutorium casus: exaltans animam, et illuminans oculos, dans sanitatem, et vitam, et benedictionem.]
20Al wie een zoon vermoordt voor het oog van zijn vader, Is hij, die offers brengt uit het bezit van de armen.
21[Immolantis ex iniquo oblatio est maculata, et non sunt beneplacitæ subsannationes injustorum.
21Het brood der behoeftigen is het leven der armen, En wie er van rooft, is een man des bloeds;
22Dominus solus sustinentibus se in via veritatis et justitiæ.
22Wie den naaste zijn levensonderhoud ontrooft, is een moordenaar, En wie het loon onthoudt aan zijn knecht, vergiet bloed.
23Dona iniquorum non probat Altissimus, nec respicit in oblationes iniquorum, nec in multitudine sacrificiorum eorum propitiabitur peccatis.
23De een bouwt op, de ander breekt af; Wat hebben zij er meer van dan last?
24Qui offert sacrificium ex substantia pauperum, quasi qui victimat filium in conspectu patris sui.
24De een bidt en de ander vloekt; Naar wiens stem zal Jahweh nu horen?
25Panis egentium vita pauperum est: qui defraudat illum homo sanguinis est.
25Zo iemand na zijn reiniging weer een lijk aanraakt, Wat baat hem dan zijn reiniging?
26Qui aufert in sudore panem, quasi qui occidit proximum suum.
26Zo is het met hem, die vast om zijn zonden, En daarna weer hetzelfde gaat doen. Wie zal er luisteren naar zijn gebed; Wat baat hem dan zijn kastijding?
27Qui effundit sanguinem, et qui fraudem facit mercenario, fratres sunt.
no verse 27 in this text
28Unus ædificans, et unus destruens: quid prodest illis, nisi labor?
no verse 28 in this text
29Unus orans, et unus maledicens: cujus vocem exaudiet Deus?
no verse 29 in this text
30Qui baptizatur a mortuo, et iterum tangit eum, quid proficit lavatio illius?
no verse 30 in this text
31Sic homo qui jejunat in peccatis suis, et iterum eadem faciens: quid proficit humiliando se? orationem illius quis exaudiet?]
no verse 31 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.