Iesu Filii Sirach
Chapter 39
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Iesu Filii Sirach 39

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Sapientiam omnium antiquorum exquiret sapiens, et in prophetis vacabit.
1Geheel anders is hij, die zijn geest er op richt, Om de Wet van den Allerhoogste te begrijpen: Die de wijsheid van alle ouden doorvorst, En zich bezighoudt met de profetieën;
2Narrationem virorum nominatorum conservabit, et in versutias parabolarum simul introibit.
2Die vasthoudt, wat beroemde mannen hebben geleerd, En tracht door te dringen in spreuken en strofen;
3Occulta proverbiorum exquiret, et in absconditis parabolarum conversabitur.
3Die duistere gelijkenissen achterhaalt, En zich bezighoudt met raadselachtige spreuken.
4In medio magnatorum ministrabit, et in conspectu præsidis apparebit.
4Temidden der groten verricht hij zijn dienst, En durft voor den vorst te verschijnen; Door het land van vreemde volken trekt hij rond, Want hij beproeft goed en kwaad bij de mensen.
5In terram alienigenarum gentium pertransiet: bona enim et mala in hominibus tentabit.
5Hij staat er op, vroeg te verschijnen voor zijn Schepper en Heer, Om voor het aanschijn van den Allerhoogste te bidden; Hij opent zijn mond tot gebed, En vraagt om vergeving van zijn zonden.
6Cor suum tradet ad vigilandum diluculo ad Dominum, qui fecit illum, et in conspectu Altissimi deprecabitur.
6Zo het den oppersten Heer behaagt, Zal Hij hem vervullen met de geest van verstand; Dan zal hij woorden van wijsheid doen stromen, En Jahweh loven in zijn gebed.
7Aperiet os suum in oratione, et pro delictis suis deprecabitur.
7Hij zal Gods wil en beleid verstaan, En zijn geheimenissen overwegen,
8Si enim Dominus magnus voluerit, spiritu intelligentiæ replebit illum:
8De tucht van zijn leer onderrichten, En roemen op de Wet van Jahweh's verbond.
9et ipse tamquam imbres mittet eloquia sapientiæ suæ, et in oratione confitebitur Domino:
9Velen zullen zijn wijsheid prijzen, En nimmer wordt zij vergeten; Zijn gedachtenis zal nooit vergaan, Want zijn naam blijft leven van geslacht tot geslacht.
10et ipse diriget consilium ejus, et disciplinam, et in absconditis suis consiliabitur.
10De volkeren zullen zijn wijsheid roemen, En de gemeente zal zijn lof verkonden;
11Ipse palam faciet disciplinam doctrinæ suæ, et in lege testamenti Domini gloriabitur.
11Zolang hij leeft, wordt hij boven duizend geprezen, En gaat hij te ruste, dan nog meer.
12Collaudabunt multi sapientiam ejus, et usque in sæculum non delebitur.
12Zevende reeks. De wijsheid en de wederwaardigheden des levens. Inleiding. Lofzang op gods wijze leiding. Nog eenmaal wil ik mijn gedachten uiten; Want vol ben ik als de volle maan!
13Non recedet memoria ejus, et nomen ejus requiretur a generatione in generationem.
13Luistert naar mij, gij vrome zonen, dan schiet gij loten Als een roos, die opbloeit aan een beek op het veld;
14Sapientiam ejus enarrabunt gentes, et laudem ejus enuntiabit ecclesia.
14Dan verspreidt gij goede geur als wierook, En laat bloemen ontluiken als een lelie. Verheft uw stem en zingt een lied; Looft den Heer om al zijn werken.
15Si permanserit, nomen derelinquet plus quam mille: et si requieverit, proderit illi.]
15Geeft glorie aan zijn Naam, En prijst Hem met een jubellied, Met harpgezang en citerspel; En zo moet gij uw loflied zingen:
16[Adhuc consiliabor ut enarrem: ut furore enim repletus sum.
16De werken Gods zijn alle goed; Al wat nodig is, geeft Hij in overvloed op zijn tijd.
17In voce dicit: Obaudite me, divini fructus, et quasi rosa plantata super rivos aquarum fructificate.
17Door zijn woord stelt Hij de wateren als een muur, Of door het bevel van zijn mond in zijn voorraadskamer
18Quasi Libanus odorem suavitatis habete.
18Wat Hem behaagt, komt ook tot stand, Geen hindernis is er, als Hij helpt.
19Florete flores quasi lilium: et date odorem, et frondete in gratiam: et collaudate canticum, et benedicite Dominum in operibus suis.
19Het doen van iedere mens ligt voor Hem open, Niets blijft verborgen voor zijn oog;
20Date nomini ejus magnificentiam, et confitemini illi in voce labiorum vestrorum, et in canticis labiorum, et citharis: et sic dicetis in confessione:
20Hij blikt van eeuwigheid tot eeuwigheid, Geen grenzen zijn er voor zijn heil. Niets is Hem klein of gering, Maar ook niets wonderlijk of te zwaar.
21Opera Domini universa bona valde.
21Men moet dus niet zeggen: Waarom dit of dat? Want alles werd voor zijn doel bestemd. Niet zeggen: Dit is slechter dan dat; Want op zijn tijd is alles voortreffelijk.
22In verbo ejus stetit aqua sicut congeries: et in sermone oris illius sicut exceptoria aquarum:
22Hij doet zijn zegen stromen als de Nijl, En verkwikt de aarde als de Eufraat.
23quoniam in præcepto ipsius placor fit, et non est minoratio in salute ipsius.
23Maar zijn toorn verdrijft de volken, Zoals Hij de gouwen veranderde in zout.
24Opera omnis carnis coram illo, et non est quidquam absconditum ab oculis ejus.
24Voor de gerechten zijn zijn paden effen, Maar onbegaanbaar voor de slechten;
25A sæculo usque in sæculum respicit, et nihil est mirabile in conspectu ejus.
25Goed schonk Hij aan de goeden van de aanvang af, Maar voor de kwaden maakte Hij goed tot kwaad.
26Non est dicere: Quid est hoc, aut quid est istud? omnia enim in tempore suo quærentur.
26De eerste behoefte voor 's mensen leven Zijn water en vuur, ijzer en zout, Het meel van de tarwe, melk en honing, Het sap van de druif, met olie en kleding.
27Benedictio illius quasi fluvius inundavit.
27Goed is dit alles voor de goeden, Maar voor de slechten wordt het slecht.
28Quomodo cataclysmus aridam inebriavit, sic ira ipsius gentes quæ non exquisierunt eum hæreditabit.
28Er zijn winden, die tot straf zijn geschapen, En de bergen doen schudden, als ze razen; Die op de dag van gramschap hun kracht laten zien, En de toorn van hun Schepper bedaren.
29Quomodo convertit aquas in siccitatem, et siccata est terra, et viæ illius viis illorum directæ sunt, sic peccatoribus offensiones in ira ejus.
29Vuur en hagel, honger en pest, Ook die zijn geschapen als straf.
30Bona bonis creata sunt ab initio: sic nequissimis bona et mala.
30Verscheurende dieren, schorpioenen en adders Zijn een wrekend zwaard, om de slechten te doden;
31Initium necessariæ rei vitæ hominum, aqua, ignis, et ferrum, sal, lac, et panis similagineus, et mel, et botrus uvæ, et oleum, et vestimentum.
31Zij allen werden met bedoeling geschapen, In zijn schuren bewaard, op hun tijd ontboden. Als Hij ze gebiedt, jubelen ze het uit; Worden ze geroepen, zijn bevelen weerstreven ze niet.
32Hæc omnia sanctis in bona, sic et impiis et peccatoribus in mala convertentur.
32Daarom was ik er van de aanvang van overtuigd, Begreep het en legde het schriftelijk vast:
33Sunt spiritus qui ad vindictam creati sunt, et in furore suo confirmaverunt tormenta sua.
33De werken Gods zijn alle goed, Al wat nodig is, geeft Hij in overvloed op zijn tijd!
34In tempore consummationis effundent virtutem, et furorem ejus qui fecit illos placabunt.
34Zeg dus niet: Dit is slechter dan dat; Want op zijn tijd is alles voortreffelijk.
35Ignis, grando, fames, et mors, omnia hæc ad vindictam creata sunt:
35Juicht daarom met heel uw hart En zegent de Naam van den Heilige!
36bestiarum dentes, et scorpii, et serpentes, et rhomphæa vindicans in exterminium impios.
no verse 36 in this text
37In mandatis ejus epulabuntur: et super terram in necessitatem præparabuntur, et in temporibus suis non præterient verbum.
no verse 37 in this text
38Propterea ab initio confirmatus sum, et consiliatus sum, et cogitavi, et scripta dimisi.
no verse 38 in this text
39Omnia opera Domini bona, et omne opus hora sua subministrabit.
no verse 39 in this text
40Non est dicere: Hoc illo nequius est: omnia enim in tempore suo comprobabuntur.
no verse 40 in this text
41Et nunc in omni corde et ore collaudate, et benedicite nomen Domini.]
no verse 41 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.