Iesu Filii Sirach 48
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Et surrexit Elias propheta quasi ignis, et verbum ipsius quasi facula ardebat.
1Toen stond Elias op, een profeet als vuur, Met woorden als een gloeiende oven.
2Qui induxit in illos famem: et irritantes illum invidia sua pauci facti sunt: non enim poterant sustinere præcepta Domini.
2Hij ontnam hun de laatste bete broods, Roeide door zijn ijver hen bijna uit;
3Verbo Domini continuit cælum, et dejecit de cælo ignem ter.
3Hij sloot op Gods bevel de hemel, Liet vuur neerdalen tot driemaal toe.
4Sic amplificatus est Elias in mirabilibus suis. Et quis potest similiter sic gloriari tibi?
4Elias, hoe eerbiedwaardig zijt gij; Wie kan zich uws gelijke noemen!
5qui sustulisti mortuum ab inferis de sorte mortis, in verbo Domini Dei:
5Gij, die een dode ten leven hebt opgewekt, Uit de onderwereld naar Jahweh's wil;
6qui dejecisti reges ad pernicem, et confregisti facile potentiam ipsorum, et gloriosos de lecto suo:
6Die koningen in het verderf hebt gestort, En prinsen van hun legersteden;
7qui audis in Sina judicium, et in Horeb judicia defensionis:
7Die op de Sinaï straffen vernaamt, En op de Horeb wraakgerichten;
8qui ungis reges ad pœnitentiam, et prophetas facis successores post te:
8Die koningen gezalfd hebt tot bestraffers, En een profeet tot uw opvolger benoemde:
9qui receptus es in turbine ignis, in curru equorum igneorum:
9Die werdt opgenomen in een stormwind, En in vurige scharen naar de hemel.
10qui scriptus es in judiciis temporum, lenire iracundiam Domini, conciliare cor patris ad filium, et restituere tribus Jacob.
10Die volgens de Schrift gereed staat voor het einde, Om Gods toorn te bedaren, éér hij ontbrandt, Om het hart van de vaders tot hun zonen te keren En Jakobs stammen weer op te richten.
11Beati sunt qui te viderunt, et in amicitia tua decorati sunt.
11Gelukkig wie u zag, voordat hij stierf; Maar gelukkiger nog, wie dan leeft!
12Nam nos vita vivimus tantum: post mortem autem non erit tale nomen nostrum.]
12Toen Elias opvoer in de orkaan, Werd Eliseus van zijn geest vervuld. Hij verrichtte nog eens zoveel tekenen; Wonder was alles, wat zijn mond ontvlood. Zolang hij leefde, vreesde hij niemand; Geen sterveling heerste over zijn geest.
13[Elias quidem in turbine tectus est, et in Eliseo completus est spiritus ejus: in diebus suis non pertimuit principem, et potentia nemo vicit illum:
13Niets was voor hem te wonderbaar, Nog in het graf werkte zijn lijk als profeet;
14nec superavit illum verbum aliquod, et mortuum prophetavit corpus ejus.
14Hij deed tekenen bij zijn leven, En ook na zijn dood nog wrochtte hij wonderen.
15In vita sua fecit monstra, et in morte mirabilia operatus est.]
15Maar het volk bekeerde zich niet; Zij lieten niet af van hun zonden, Daarom werden zij tenslotte uit hun land verdreven En over heel de aarde verspreid.
16[In omnibus istis non pœnituit populus, et non recesserunt a peccatis suis, usque dum ejecti sunt de terra sua, et dispersi sunt in omnem terram:
16Maar aan Juda bleef nog een rest behouden, Aan het huis van David nog een vorst. Sommigen van hen deden wat recht is; Anderen echter waren vreselijk ontrouw.
17et relicta est gens perpauca, et princeps in domo David.
17Ezekias versterkte zijn stad, Door er water binnen te leiden; Hij doorboorde de rotsen met ijzer, En versperde de bergen tot een waterbekken.
18Quidam ipsorum fecerunt quod placeret Deo: alii autem multa commiserunt peccata.
18In die tijd trok Sinacherib op, En zond zijn opperbevelhebber; Hij strekte de hand tegen Sion uit, En lasterde God in zijn hoogmoed.
19Ezechias munivit civitatem suam, et induxit in medium ipsius aquam: et fodit ferro rupem, et ædificavit ad aquam puteum.
19Toen sidderden hun harten om die overmoed, En ze beefden als een barende vrouw;
20In diebus ipsius ascendit Sennacherib, et misit Rabsacen, et sustulit manum suam contra illos: et extulit manum suam in Sion, et superbus factus est potentia sua.
20Maar ze riepen tot den allerhoogsten God, En strekten hun hand naar Hem uit. En Hij gaf gehoor aan hun gebed, En redde hen door Isaias' hand;
21Tunc mota sunt corda et manus ipsorum: et doluerunt quasi parturientes mulieres.
21Hij sloeg het kamp der Assyriërs, En verdelgde hen door de pest.
22Et invocaverunt Dominum misericordem, et expandentes manus suas extulerunt ad cælum: et Sanctus, Dominus Deus, audivit cito vocem ipsorum.
22Want Ezekias deed wat God behaagde En stond op Davids wegen vast, Zoals Isaias, de profeet, hem beval, Groot en betrouwbaar in zijn visioenen.
23Non est commemoratus peccatorum illorum, neque dedit illos inimicis suis: sed purgavit eos in manu Isaiæ sancti prophetæ.
23In zijn dagen ging de zon terug, En werd het leven van den koning verlengd.
24Dejecit castra Assyriorum, et contrivit illos angelus Domini:
24In verheven geest schouwde hij het einde, En bracht aan Sions bedroefden troost;
25nam fecit Ezechias quod placuit Deo, et fortiter ivit in via David patris sui, quam mandavit illi Isaias, propheta magnus, et fidelis in conspectu Dei.
25Tot in verre tijden voorspelde hij de toekomst En wat verborgen was, voordat het geschiedde.
26In diebus ipsius retro rediit sol, et addidit regi vitam.
no verse 26 in this text
27Spiritu magno vidit ultima, et consolatus est lugentes in Sion usque in sempiternum.
no verse 27 in this text
28Ostendit futura, et abscondita antequam evenirent.]
no verse 28 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.