Iesu Filii Sirach 15
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Qui timet Deum faciet bona, et qui continens est justitiæ apprehendet illam:
1Wie Jahweh vreest, zal dit alles doen, En wie de Wet nastreeft, zal haar vinden;
2et obviabit illi quasi mater honorificata, et quasi mulier a virginitate suscipiet illum.
2Zij treedt als een moeder hem tegemoet, En ontvangt hem als de vrouw zijner jeugd.
3Cibabit illum pane vitæ et intellectus, et aqua sapientiæ salutaris potabit illum: et firmabitur in illo, et non flectetur:
3Dan spijst zij hem met het brood der wijsheid, En laaft hem met het water der kennis;
4et continebit illum, et non confundetur: et exaltabit illum apud proximos suos,
4Hij kan op haar steunen zonder te wankelen, Op haar vertrouwen, en nooit tevergeefs.
5et in medio ecclesiæ aperiet os ejus, et adimplebit illum spiritu sapientiæ et intellectus, et stola gloriæ vestiet illum.
5Zij zal hem verheffen boven zijn makkers, Zijn mond ontsluiten in de vergadering.
6Jucunditatem et exsultationem thesaurizabit super illum, et nomine æterno hæreditabit illum.
6Vreugde en blijdschap zal hij vinden, En eeuwige roem doet zij hem erven.
7Homines stulti non apprehendent illam, et homines sensati obviabunt illi. Homines stulti non videbunt eam: longe enim abest a superbia et dolo.
7Maar zondaars verkrijgen haar nooit, En trotsaards zijn voor haar blind;
8Viri mendaces non erunt illius memores: et viri veraces invenientur in illa, et successum habebunt usque ad inspectionem Dei.
8Van spotters houdt zij zich verre, En leugenaars gedenken haar niet.
9Non est speciosa laus in ore peccatoris,
9In de mond van den zondaar past haar lof niet, Want hij heeft haar van God niet verkregen;
10quoniam a Deo profecta est sapientia. Sapientiæ enim Dei astabit laus, et in ore fideli abundabit, et Dominator dabit eam illi.]
10Maar de mond van den wijze verkondigt haar lof, Want wie haar bezit, kan haar aan anderen leren.
11[Non dixeris: Per Deum abest: quæ enim odit ne feceris.
11Denk niet: Mijn zonde komt van God; Want wat Hij haat, dat kan Hij niet doen.
12Non dicas: Ille me implanavit: non enim necessarii sunt ei homines impii.
12Zeg toch niet: Hij heeft mij doen vallen; Want Hij heeft den zondaar niet nodig.
13Omne execramentum erroris odit Dominus, et non erit amabile timentibus eum.
13Jahweh haat alle zonde en kwaad, En die hem vrezen, bewaart Hij er voor.
14Deus ab initio constituit hominem, et reliquit illum in manu consilii sui:
14Sinds God den mens schiep in de aanvang, Heeft Hij hem overgelaten aan zijn eigen verstand.
15adjecit mandata et præcepta sua.
15Als ge wilt, kunt ge de geboden bewaren. Als ge wijs zijt, volbrengt ge zijn wil.
16Si volueris mandata servare, conservabunt te, et in perpetuum fidem placitam facere.
16Vóór u zijn neergelegd water en vuur; Steek uit uw hand naar wat ge verkiest.
17Apposuit tibi aquam et ignem, ad quod volueris porrige manum tuam.
17Vóór den mens ligt de keus tussen leven en dood; Wat hij verlangt, dat wordt hem gegeven.
18Ante hominem vita et mors, bonum et malum: quod placuerit ei dabitur illi:
18Onmetelijk is de wijsheid van Jahweh; Sterk is zijn kracht en alles doorschouwt Hij.
19quoniam multa sapientia Dei, et fortis in potentia, videns omnes sine intermissione.
19De ogen van God zien neer op zijn werken, En Hij kent alle daden der mensen;
20Oculi Domini ad timentes eum, et ipse agnoscit omnem operam hominis.
20Hij heeft den mens niet bevolen te zondigen, En daarom zegent Hij zondaars niet.
21Nemini mandavit impie agere, et nemini dedit spatium peccandi:
no verse 21 in this text
22non enim concupiscit multitudinem filiorum infidelium et inutilium.]
no verse 22 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.