Iesu Filii Sirach
Chapter 12
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Iesu Filii Sirach 12

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Si benefeceris, scito cui feceris, et erit gratia in bonis tuis multa.
1Als ge wel doet, let dan op aan wien, Opdat ge van uw weldadigheid loon moogt verwachten.
2Benefac justo, et invenies retributionem magnam: et si non ab ipso, certe a Domino.
2Doe wel aan den rechtvaardige: dan wordt ge beloond; Zo niet door hem, dan tenminste door Jahweh.
3Non est enim ei bene qui assiduus est in malis, et eleemosynas non danti: quoniam et Altissimus odio habet peccatores, et misertus est pœnitentibus.
3Maar de weldoener van bozen wordt niet beloond; Hij doet er immers geen goed werk mee.
4Da misericordi, et ne suscipias peccatorem: et impiis et peccatoribus reddet vindictam, custodiens eos in diem vindictæ.
4Geef den goede, maar weiger den boze;
5Da bono, et non receperis peccatorem.
5Verkwik den kleine, en geef niet aan den trotse. Geef hem geen wapens in de hand: Hij zou er mee tegen u strijden;
6Benefac humili, et non dederis impio: prohibe panes illi dari, ne in ipsis potentior te sit:
6Want ook God haat de bozen, En oefent vergelding aan de slechten.
7nam duplicia mala invenies in omnibus bonis quæcumque feceris illi, quoniam et Altissimus odio habet peccatores, et impiis reddet vindictam.]
7Dubbel treft u de boze ten tijde van nood, Voor al het goede, dat ge hem deedt.
8[Non agnoscetur in bonis amicus, et non abscondetur in malis inimicus.
8Een vriend kan men niet erkennen bij voorspoed; Maar bij ongeluk verbergt de vijand zich niet.
9In bonis viri, inimici illius in tristitia: et in malitia illius, amicus agnitus est.
9Als het goed gaat, is ook de vijand een vriend; Maar bij ongeluk gaat de vriend zelfs lopen.
10Non credas inimico tuo in æternum: sicut enim æramentum æruginat nequitia illius:
10Vertrouw dus nooit op een vijand, Want als ijzerroest zit hij vol boosheid;
11et si humiliatus vadat curvus, adjice animum tuum, et custodi te ab illo.
11Al luistert hij naar u nog zo gedwee, Blijf zorgvuldig voor hem op uw hoede. Wees voor hem als iemand, die een spiegel poetst, Begrijp, dat men nooit zeker is tegen roest.
12Non statuas illum penes te, nec sedeat ad dexteram tuam, ne forte conversus in locum tuum, inquirat cathedram tuam, et in novissimo agnosces verba mea, et in sermonibus meis stimuleris.
12Geef hem geen plaats aan uw zijde; Anders jaagt hij u op en neemt uw plaats in beslag. Zet hem niet aan uw rechterhand, Opdat hij niet uw zetel bezet; Dan zoudt ge ten slotte mijn woord begrijpen, En moeten instemmen met mijn klachten.
13Quis miserebitur incantatori a serpente percusso, et omnibus qui appropiant bestiis? et sic qui comitatur cum viro iniquo, et obvolutus est in peccatis ejus.
13Wie beklaagt een slangenbezweerder, die wordt gebeten, Of allen, die zich bij wilde beesten wagen?
14Una hora tecum permanebit: si autem declinaveris, non supportabit.
14Evenmin hem, die met een hoogmoedige omgaat, En zich in diens zonde verstrikt.
15In labiis suis indulcat inimicus, et in corde suo insidiatur ut subvertat te in foveam.
15Een tijdlang blijft hij, zonder zich te doen kennen, Maar als ge gaat wankelen, houdt hij het niet uit.
16In oculis suis lacrimatur inimicus, et si invenerit tempus, non satiabitur sanguine.
16Met zijn lippen is de vijand wel vriendelijk, Maar in zijn hart graaft hij diepe kuilen;
17Et si incurrerint tibi mala, invenies eum illic priorem.
17Met zijn ogen weet de vijand te wenen, Maar ziet hij de kans, hij wordt niet zat van uw bloed.
18In oculis suis lacrimatur inimicus, et quasi adjuvans suffodiet plantas tuas.
18Treft u een ongeluk, dan is hij aanwezig, Als wilde hij helpen, maar hij belaagt uw hiel; Dan schudt hij het hoofd en klapt in de handen, En vertrekt zijn gezicht tot een grijns.
19Caput suum movebit, et plaudet manu, et multa susurrans commutabit vultum suum.]
no verse 19 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.