Iesu Filii Sirach 41
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[O mors, quam amara est memoria tua homini pacem habenti in substantiis suis:
1Ach dood, hoe bitter is de gedachte aan u Voor den man, die rustig in zijn woning zit; Voor den man zonder zorgen, wien alles gelukt, Die nog kracht bezit, om het genot te plukken.
2viro quieto, et cujus viæ directæ sunt in omnibus, et adhuc valenti accipere cibum !
2Maar dood, hoe goed is uw lot Voor den armen man, wiens kracht is gesleten; Voor den man, die struikelt en tegen alles zich stoot, En lastig wordt, omdat hem geen hoop meer blijft.
3O mors, bonum est judicium tuum homini indigenti, et qui minoratur viribus,
3Wees niet bang voor de dood, uw lot; Bedenk, dat allen, hetzij vóór u of na u, hetzelfde treft;
4defecto ætate, et cui de omnibus cura est, et incredibili, qui perdit patientiam !
4Dit is het lot, dat God aan alle vlees heeft beschoren. Waarom dan de Wet van den Allerhoogste gevloekt? Hetzij duizend jaar of honderd of tien: Het dodenrijk verantwoordt het niet.
5Noli metuere judicium mortis: memento quæ ante te fuerunt, et quæ superventura sunt tibi: hoc judicium a Domino omni carni.
5Het kroost der bozen is een verachtelijk broed, Het ras der slechten een verdwaasd geslacht.
6Et quid superveniet tibi in beneplacito Altissimi? sive decem, sive centum, sive mille anni:
6Den zoon van den zondaar wordt de macht ontnomen; Steeds blijft de schande op zijn geslacht.
7non est enim in inferno accusatio vitæ.]
7De zoon zal zijn goddelozen vader vervloeken, Omdat hij om zijnentwil wordt veracht.
8[Filii abominationum fiunt filii peccatorum, et qui conversantur secus domos impiorum.
8Wee u, dus, goddeloze mannen, Die de Wet van den Allerhoogste verlaat!
9Filiorum peccatorum periet hæreditas, et cum semine illorum assiduitas opprobrii.
9Vermenigvuldigt gij u, het is tot schade, En als gij zonen verwekt, tot zuchten; Komt gij ten val, het is een blijvende vreugde, En sterft gij, dan is het tot vloek.
10De patre impio queruntur filii, quoniam propter illum sunt in opprobrio.
10Wat uit stof is geboren, keert terug tot stof; Maar de zondaar valt van het ene niet in het andere.
11Væ vobis, viri impii, qui dereliquistis legem Domini Altissimi !
11De mens is wel naar zijn lichaam een zucht, Maar de naam van den brave zal nimmer vergaan.
12Et si nati fueritis, in maledictione nascemini: et si mortui fueritis, in maledictione erit pars vestra.
12Draag dus zorg voor uw naam, want hij blijft u langer Dan duizend kostbare schatten.
13Omnia quæ de terra sunt in terram convertentur: sic impii a maledicto in perditionem.
13Een goed leven duurt slechts weinige dagen, Maar een goede naam duurt dagen zonder tal.
14Luctus hominum in corpore ipsorum: nomen autem impiorum delebitur.
14Verborgen wijsheid en een verstopte schat; Wat voor nut hebben beide?
15Curam habe de bono nomine: hoc enim magis permanebit tibi quam mille thesauri pretiosi et magni.
15Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.
16Bonæ vitæ numerus dierum: bonum autem nomen permanebit in ævum.]
16Hoort, kinderen, de les over de schaamte, En schaamt u, zoals ik het u leer: Niet iedere schaamte komt te pas, Niet alle blozen is goed.
17[Disciplinam in pace conservate, filii: sapientia enim abscondita, et thesaurus invisus, quæ utilitas in utrisque?
17Schaam u voor vader en moeder over ontucht, Voor vorst en prins over leugen;
18Melior est homo qui abscondit stultitiam suam, quam homo qui abscondit sapientiam suam.
18Voor heer en meesteres over bedriegen, Voor gemeente en volk over ontrouw;
19Verumtamen reveremini in his quæ procedunt de ore meo:
19Voor vriend en makker over onrecht, En voor uw woonplaats over vreemden;
20non est enim bonum omnem reverentiam observare, et non omnia omnibus bene placent in fide.
20Over het breken van eed en verdrag, Over het leunen op de ellebogen aan tafel;
21Erubescite a patre et a matre de fornicatione: et a præsidente et a potente de mendacio:
21Over het weigeren van een gave, die gevraagd wordt, Over het zwijgen, als men u groet;
22a principe et a judice de delicto: a synagoga et plebe de iniquitate:
22Over het afwijzen van een vriend; Over het niet uitbetalen van loon,
23a socio et amico de injustitia, et de loco in quo habitas:
23Over het blikken naar andermans vrouw,
24de furto, de veritate Dei, et testamento: de discubitu in panibus, et ab obfuscatione dati et accepti:
24Over gemeenschap met haar dienstmaagd;
25a salutantibus de silentio, a respectu mulieris fornicariæ, et ab aversione vultus cognati.
25Over smadende woorden jegens uw vriend, Over verwijten doen, als ge wat geeft;
26Ne avertas faciem a proximo tuo, et ab auferendo partem et non restituendo.
26Over het verdraaien van wat ge hoort zeggen, En over het openbaren van geheime bespreking.
27Ne respicias mulierem alieni viri, et ne scruteris ancillam ejus, neque steteris ad lectum ejus.
27Dan zult ge u schamen, zoals het behoort, En welbehagen vinden bij al wat leeft!
28Ab amicis de sermonibus improperii: et cum dederis, ne improperes.]
no verse 28 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.