ΣΕΙΡΑΧ 41
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ω ΘΑΝΑΤΕ, ὡς πικρόν σου τὸ μνημόσυνόν ἐστιν ἀνθρώπῳ εἰρηνεύοντι ἐν τοῖς ὑπάρχουσιν αὐτοῦ ἀνδρὶ ἀπερισπάστῳ καὶ εὐοδουμένῳ ἐν πᾶσι καὶ ἔτι ἰσχύοντι ἐπιδέξασθαι τροφήν.
1Ach dood, hoe bitter is de gedachte aan u Voor den man, die rustig in zijn woning zit; Voor den man zonder zorgen, wien alles gelukt, Die nog kracht bezit, om het genot te plukken.
2ὦ θάνατε, καλόν σου τὸ κρίμα ἐστὶν ἀνθρώπῳ ἐπιδεομένῳ καὶ ἐλασσουμένῳ ἰσχύϊ, ἐσχατογήρῳ καὶ περισπωμένῳ περὶ πάντων καὶ ἀπειθοῦντι καὶ ἀπολωλεκότι ὑπομονήν.
2Maar dood, hoe goed is uw lot Voor den armen man, wiens kracht is gesleten; Voor den man, die struikelt en tegen alles zich stoot, En lastig wordt, omdat hem geen hoop meer blijft.
3μὴ εὐλαβοῦ κρίμα θανάτου, μνήσθητι προτέρων σου καὶ ἐσχάτων·
3Wees niet bang voor de dood, uw lot; Bedenk, dat allen, hetzij vóór u of na u, hetzelfde treft;
4τοῦτο τὸ κρίμα παρὰ Κυρίου πάσῃ σαρκί, καὶ τί ἀπαναίνῃ ἐν εὐδοκίᾳ Ὑψίστου; εἴτε δέκα εἴτε ἑκατὸν εἴτε χίλια ἔτη, οὐκ ἔστιν ἐν ᾅδου ἐλεγμὸς ζωῆς.
4Dit is het lot, dat God aan alle vlees heeft beschoren. Waarom dan de Wet van den Allerhoogste gevloekt? Hetzij duizend jaar of honderd of tien: Het dodenrijk verantwoordt het niet.
5Τέκνα βδελυκτὰ γίνεται τέκνα ἁμαρτωλῶν καὶ συναναστρεφόμενα παροικίαις ἀσεβῶν.
5Het kroost der bozen is een verachtelijk broed, Het ras der slechten een verdwaasd geslacht.
6τέκνων ἁμαρτωλῶν ἀπολεῖται κληρονομία, καὶ μετὰ τοῦ σπέρματος αὐτῶν ἐνδελεχιεῖ ὄνειδος.
6Den zoon van den zondaar wordt de macht ontnomen; Steeds blijft de schande op zijn geslacht.
7πατρὶ ἀσεβεῖ μέμψεται τέκνα, ὅτι δι᾿ αὐτὸν ὀνειδισθήσονται.
7De zoon zal zijn goddelozen vader vervloeken, Omdat hij om zijnentwil wordt veracht.
8οὐαὶ ὑμῖν, ἄνδρες ἀσεβεῖς, οἵτινες ἐγκατελίπετε νόμον Θεοῦ Ὑψίστου·
8Wee u, dus, goddeloze mannen, Die de Wet van den Allerhoogste verlaat!
9καὶ ἐὰν γεννηθῆτε, εἰς κατάραν γεννηθήσεσθε, καὶ ἐὰν ἀποθάνητε, εἰς κατάραν μερισθήσεσθε.
9Vermenigvuldigt gij u, het is tot schade, En als gij zonen verwekt, tot zuchten; Komt gij ten val, het is een blijvende vreugde, En sterft gij, dan is het tot vloek.
10πάντα ὅσα ἐκ γῆς, εἰς γῆν ἀπελεύσεται, οὕτως ἀσεβεῖς ἀπὸ κατάρας εἰς ἀπώλειαν.
10Wat uit stof is geboren, keert terug tot stof; Maar de zondaar valt van het ene niet in het andere.
11Πένθος ἀνθρώπων ἐν σώμασιν αὐτῶν, ὄνομα δὲ ἁμαρτωλῶν οὐκ ἀγαθὸν ἐξαλειφθήσεται.
11De mens is wel naar zijn lichaam een zucht, Maar de naam van den brave zal nimmer vergaan.
12φρόντισον περὶ ὀνόματος, αὐτὸ γάρ σοι διαμένει ἢ χίλιοι μεγάλοι θησαυροὶ χρυσίου.
12Draag dus zorg voor uw naam, want hij blijft u langer Dan duizend kostbare schatten.
13ἀγαθῆς ζωῆς ἀριθμὸς ἡμερῶν, καὶ ἀγαθὸν ὄνομα εἰς αἰῶνα διαμενεῖ.
13Een goed leven duurt slechts weinige dagen, Maar een goede naam duurt dagen zonder tal.
14παιδείαν ἐν εἰρήνῃ συντηρήσατε, τέκνα· σοφία δὲ κεκρυμμένη καὶ θησαυρὸς ἀφανής, τίς ὠφέλεια ἐν ἀμφοτέροις;
14Verborgen wijsheid en een verstopte schat; Wat voor nut hebben beide?
15κρείσσων ἄνθρωπος ἀποκρύπτων τὴν μωρίαν αὐτοῦ ἢ ἄνθρωπος ἀποκρύπτων τὴν σοφίαν αὐτοῦ.
15Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.
16τοιγαροῦν ἐντράπητε ἐπὶ τῷ ρήματί μου· οὐ γάρ ἐστι πᾶσαν αἰσχύνην διαφυλάξαι καλόν, καὶ οὐ πάντα πᾶσιν ἐν πίστει εὐδοκιμεῖται.
16Hoort, kinderen, de les over de schaamte, En schaamt u, zoals ik het u leer: Niet iedere schaamte komt te pas, Niet alle blozen is goed.
17αἰσχύνεσθε ἀπὸ πατρὸς καὶ μητρὸς περὶ πορνείας καὶ ἀπὸ ἡγουμένου καὶ δυνάστου περὶ ψεύδους,
17Schaam u voor vader en moeder over ontucht, Voor vorst en prins over leugen;
18ἀπὸ κριτοῦ καὶ ἄρχοντος περὶ πλημμελείας, ἀπὸ συναγωγῆς καὶ λαοῦ περὶ ἀνομίας,
18Voor heer en meesteres over bedriegen, Voor gemeente en volk over ontrouw;
19ἀπὸ κοινωνοῦ καὶ φίλου περὶ ἀδικίας καὶ ἀπὸ τόπου, οὗ παροικεῖς, περὶ κλοπῆς,
19Voor vriend en makker over onrecht, En voor uw woonplaats over vreemden;
20ἀπὸ ἀληθείας Θεοῦ καὶ διαθήκης καὶ ἀπὸ πήξεως ἀγκῶνος ἐπ᾿ ἄρτοις,
20Over het breken van eed en verdrag, Over het leunen op de ellebogen aan tafel;
21ἀπὸ σκορακισμοῦ λήψεως καὶ δόσεως καὶ ἀπὸ ἀσπαζομένων περὶ σιωπῆς,
21Over het weigeren van een gave, die gevraagd wordt, Over het zwijgen, als men u groet;
22ἀπὸ ὁράσεως γυναικὸς ἑταίρας καὶ ἀπὸ ἀποστροφῆς προσώπου συγγενοῦς,
22Over het afwijzen van een vriend; Over het niet uitbetalen van loon,
23ἀπὸ ἀφαιρέσεως μερίδος καὶ δόσεως καὶ ἀπὸ κατανοήσεως γυναικὸς ὑπάνδρου,
23Over het blikken naar andermans vrouw,
24ἀπὸ περιεργείας παιδίσκης αὐτοῦ, καὶ μὴ ἐπιστῇς ἐπὶ τὴν κοίτην αὐτῆς·
24Over gemeenschap met haar dienstmaagd;
25ἀπὸ φίλων περὶ λόγων ὀνειδισμοῦ, καὶ μετὰ τὸ δοῦναι μὴ ὀνείδιζε,
25Over smadende woorden jegens uw vriend, Over verwijten doen, als ge wat geeft;
26ἀπὸ δευτερώσεως καὶ λόγου ἀκοῆς, καὶ ἀπὸ ἀποκαλύψεων λόγων κρυφίων·
26Over het verdraaien van wat ge hoort zeggen, En over het openbaren van geheime bespreking.
27καὶ ἔσῃ αἰσχυντηρὸς ἀληθινῶς καὶ εὑρίσκων χάριν ἔναντι παντὸς ἀνθρώπου.
27Dan zult ge u schamen, zoals het behoort, En welbehagen vinden bij al wat leeft!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.