ΣΕΙΡΑΧ 20
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΕΣΤΙΝ ἔλεγχος ὃς οὐκ ἔστιν ὡραῖος, καὶ ἔστι σιωπῶν καὶ αὐτὸς φρόνιμος.
1Soms is een terechtwijzing wel wat ontijdig; Zwijgen kan soms verstandig zijn.
2ὡς καλὸν ἐλέγξαι ἢ θυμοῦσθαι, καὶ ὁ ἀνθομολογούμενος ἀπὸ ἐλαττώσεως κωλυθήσεται.
2Toch is het beter, te berispen dan te razen; Want wie bekent, wordt voor slechter bewaard.
4ἐπιθυμία εὐνούχου ἀποπαρθενῶσαι νεάνιδα, οὕτως ὁ ποιῶν ἐν βίᾳ κρίματα.
4Als een ontmande, die in hartstocht een jonkvrouw onteert: Zo is hij, die een berisping geeft met geweld.
5ἔστι σιωπῶν εὑρισκόμενος σοφός, καὶ ἔστι μισητὸς ἀπὸ πολλῆς λαλιᾶς.
5Er zijn er, die hun wijsheid tonen door zwijgen, Zoals anderen zich gehaat maken door hun gepraat.
6ἔστι σιωπῶν, οὐ γὰρ ἔχει ἀπόκρισιν, καὶ ἔστι σιωπῶν εἰδὼς καιρόν.
6Er zijn er, die zwijgen, bij gebrek aan een antwoord, Maar anderen zwijgen, en wachten hun tijd.
7ἄνθρωπος σοφὸς σιγήσει ἕως καιροῦ, ὁ δὲ λαπιστὴς καὶ ἄφρων ὑπερβήσεται καιρόν.
7De wijze zwijgt, tot zijn tijd is gekomen, Maar de zwetser en dwaze let op geen tijd.
8ὁ πλεονάζων λόγῳ βδελυχθήσεται, καὶ ὁ ἐνεξουσιαζόμενος μισηθήσεται.
8Aan een praatvaar heeft men een hekel, En wie zich veel aanmatigt, wordt gehaat.
9ἔστιν εὐοδία ἐν κακοῖς ἀνδρί, καὶ ἔστιν εὕρημα εἰς ἐλάττωσιν.
9Een schijnbaar succes strekt den mens soms tot onheil, En een gewin wordt soms een verlies.
10ἔστι δόσις, ἣ οὐ λυσιτελήσει σοι, καὶ ἔστι δόσις, ἧς τὸ ἀνταπόδομα διπλοῦν.
10Soms brengt een geschenk u geen voordeel, En soms wordt het dubbel vergolden.
11ἔστιν ἐλάττωσις ἕνεκεν δόξης, καὶ ἔστιν ὃς ἀπὸ ταπεινώσεως ᾖρε κεφαλήν.
11Soms vindt men vernedering in plaats van glorie, En anderen heffen na de vernedering het hoofd omhoog.
12ἔστιν ἀγοράζων πολλὰ ὀλίγου καὶ ἀποτιννύων αὐτὰ ἑπταπλάσιον.
12De een koopt veel voor weinig geld, Een ander betaalt het zevenvoudig.
13ὁ σοφὸς ἐν λόγῳ ἑαυτὸν προσφιλῆ ποιήσει, χάριτες δὲ μωρῶν ἐκχυθήσονται.
13De wijze maakt zich bemind met spreken, Het vleien der dwazen is tevergeefs.
14δόσις ἄφρονος οὐ λυσιτελήσει σοι, οἱ γὰρ ὀφθαλμοὶ αὐτοῦ ἀνθ᾿ ἑνὸς πολλοί·
14Het geschenk van een dwaas zal u niet baten, Want in plaats van één heeft hij vele ogen;
15ὀλίγα δώσει καὶ πολλὰ ὀνειδίσει καὶ ἀνοίξει τὸ στόμα αὐτοῦ ὡς κῆρυξ· σήμερον δανιεῖ καὶ αὔριον ἀπαιτήσει, μισητὸς ἄνθρωπος ὁ τοιοῦτος.
15Hij geeft slechts weinig, maar doet veel verwijten, En zet zijn mond als een omroeper open. Vandaag zal hij lenen, morgen eist hij het terug; Hoe hatelijk is zo'n mens!
16μωρὸς ἐρεῖ· οὐχ ὑπάρχει μοι φίλος, καὶ οὐκ ἔστι χάρις τοῖς ἀγαθοῖς μου· οἱ ἔσθοντες τὸν ἄρτον μου, φαῦλοι γλώσσῃ·
16De dwaas moet zeggen: Ik heb geen vriend; Ik ontvang geen dank voor mijn gaven.
17ποσάκις καὶ ὅσοι καταγελάσονται αὐτοῦ;
17Die zijn brood eten, hebben een valse tong; Wat lachen zij hem dikwijls uit! Want zonder takt deelt hij uit, wat hij moest behouden, Met wat hij niet hoeft te behouden.
18Ὀλίσθημα ἀπὸ ἐδάφους μᾶλλον ἢ ἀπὸ γλώσσης, οὕτως πτῶσις κακῶν κατὰ σπουδὴν ἥξει.
18Liever een gladde vloer dan een gladde tong; Daardoor komt de boze spoedig ten val.
19ἄνθρωπος ἄχαρις, μῦθος ἄκαιρος· ἐν στόματι ἀπαιδεύτων ἐνδελεχισθήσεται.
19Een ontijdig woord is als een onaangenaam mens; Een onbeschaafd man heeft het steeds in de mond.
20ἀπὸ στόματος μωροῦ ἀποδοκιμασθήσεται παραβολή, οὐ γὰρ μὴ εἴπῃ αὐτὴν ἐν καιρῷ αὐτῆς.
20Een spreuk uit de mond van een dwaas heeft geen waarde; Want hij zegt ze niet op de rechte tijd.
21Ἔστι κωλυόμενος ἁμαρτάνειν ἀπὸ ἐνδείας, καὶ ἐν τῇ ἀναπαύσει αὐτοῦ οὐ κατανυγήσεται.
21Soms wordt men door armoe belet om te zondigen; Men heeft dan ook geen last van de wroeging.
22ἔστιν ἀπολλύων τὴν ψυχὴν αὐτοῦ δι᾿ αἰσχύνην, καὶ ἀπὸ ἄφρονος προσώπου ἀπολεῖ αὐτήν.
22Maar velen storten zich in het verderf door schaamte, En gaan te gronde om wille van een dwaas;
23ἔστι χάριν αἰσχύνης ἐπαγγελόμενος φίλῳ, καὶ ἐκτήσατο αὐτὸν ἐχθρὸν δωρεάν.
23Zij doen aan een vriend beloften uit menselijk opzicht, En maken hem zo tot vijand om niet.
24Μῶμος πονηρὸς ἐν ἀνθρώπῳ ψεῦδος, ἐν στόματι ἀπαιδεύτων ἐνδελεχισθήσεται.
24De leugen is een lelijke vlek op den mens; Toch vindt men ze dikwijls in de mond van onbeheersten.
25αἱρετὸν κλέπτης ἢ ὁ ἐνδελεχίζων ψεύδει, ἀμφότεροι δὲ ἀπώλειαν κληρονομήσουσιν.
25Beter een dief, dan wie altijd liegt; Maar beiden oogsten verderf.
26ἦθος ἀνθρώπου ψευδοῦς ἀτιμία, καὶ ἡ αἰσχύνη αὐτοῦ μετ᾿ αὐτοῦ ἐνδελεχῶς.
26Het gedrag van een leugenaar is eerloos, En zijn schande kleeft hem altijd aan.
27Ὁ σοφὸς ἐν λόγοις προάξει ἑαυτόν, καὶ ἄνθρωπος φρόνιμος ἀρέσει μεγιστᾶσιν.
27Wie wijs is in het spreken, brengt zichzelf vooruit; Want een verstandig mens behaagt aan de groten.
28ὁ ἐργαζόμενος γῆν ἀνυψώσει θημωνίαν αὐτοῦ, καὶ ὁ ἀρέσκων μεγιστᾶσιν ἐξιλάσεται ἀδικίαν.
28Wie het land bewerkt, maakt hoge schelven, Maar wie gerechtigheid oefent, wordt zelf verheven.
29ξένια καὶ δῶρα ἀποτυφλοῖ ὀφθαλμοὺς σοφῶν καὶ ὡς φιμὸς ἐν στόματι ἀποτρέπει ἐλεγμούς.
29Giften en geschenken verblinden het oog van den wijze, En houden als een muilkorf de berisping terug in zijn mond.
30σοφία κεκρυμμένη καὶ θησαυρὸς ἀφανής, τίς ὠφέλεια ἐν ἀμφοτέροις;
30Verborgen wijsheid en een verstopte schat: Wat voor nut hebben beide?
31κρείσσων ἄνθρωπος ἀποκρύπτων τὴν μωρίαν αὐτοῦ ἢ ἄνθρωπος ἀποκρύπτων τὴν σοφίαν αὐτοῦ.
31Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.