ΣΕΙΡΑΧ 17
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΥΡΙΟΣ ἔκτισεν ἐκ γῆς ἄνθρωπον καὶ πάλιν ἀπέστρεψεν αὐτὸν εἰς αὐτήν.
1De Heer heeft den mens uit aarde geschapen, Maar Hij voert hem ook tot haar terug;
2ἡμέρας ἀριθμοῦ καὶ καιρὸν ἔδωκεν αὐτοῖς καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς ἐξουσίαν τῶν ἐπ᾿ αὐτῆς.
2Hij schonk hun slechts weinige dagen, een vaste tijd, En gaf hun macht over wat er op aarde bestaat.
3καθ᾿ ἑαυτοὺς ἐνέδυσεν αὐτοὺς ἰσχὺν καὶ κατ᾿ εἰκόνα αὐτοῦ ἐποίησεν αὐτοὺς
3Naar hun aard heeft Hij hen met macht bekleed, En naar zijn beeld hen geschapen;
4καὶ ἔθηκε τὸν φόβον αὐτοῦ ἐπὶ πάσης σαρκὸς καὶ κατακυριεύειν θηρίων καὶ πετεινῶν. [5 ἔλαβον χρῆσιν τῶν πέντε τοῦ Κυρίου ἐνεργημάτων, ἕκτον δὲ νοῦν αὐτοῖς ἐδωρήσατο μερίζων καὶ τὸν ἕβδομον λόγον ἑρμηνέα τῶν ἐνεργημάτων αὐτοῦ].
4Alle vlees vervulde Hij met ontzag voor den mens, Want Hij maakte hem heer over dieren en vogels.
6διαβούλιον καὶ γλῶσσαν καὶ ὀφθαλμούς, ὦτα καὶ καρδίαν ἔδωκε διανοεῖσθαι αὐτοῖς.
6Hij schonk hun een tong, ogen en oren, En gaf hun een hart om te denken;
7ἐπιστήμην συνέσεως ἐνέπλησεν αὐτοὺς καὶ ἀγαθὰ καὶ κακὰ ὑπέδειξεν αὐτοῖς.
7Met verstand en kennis vervulde Hij hen, En toonde hun, wat goed is en kwaad.
8ἔθηκε τὸν ὀφθαλμὸν αὐτοῦ ἐπὶ τὰς καρδίας αὐτῶν δεῖξαι αὐτοῖς τὸ μεγαλεῖον τῶν ἔργων αὐτοῦ,
8Hij plaatste zijn oog in hun hart, Opdat zij de grootheid zijner werken zouden begrijpen.
9καὶ ὄνομα ἁγιασμοῦ αἰνέσουσιν,
no verse 9 in this text
10ἵνα διηγῶνται τὰ μεγαλεῖα τῶν ἔργων αὐτοῦ.
10Zij zullen de lof verkonden van zijn heilige Naam, Om de grootheid van zijn werken te prijzen.
11προσέθηκεν αὐτοῖς ἐπιστήμην καὶ νόμον ζωῆς ἐκληροδότησεν αὐτοῖς.
11Hij gaf hun nog weer nieuwe kennis, Toen Hij hun de wet des levens gaf;
12διαθήκην αἰῶνος ἔστησε μετ᾿ αὐτῶν καὶ τὰ κρίματα αὐτοῦ ὑπέδειξεν αὐτοῖς.
12Hij sloot met hen een eeuwig verbond, En openbaarde hun zijn wetten.
13μεγαλεῖον δόξης εἶδον οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτῶν, καὶ δόξαν φωνῆς αὐτῶν ἤκουσε τὸ οὖς αὐτῶν.
13Hun ogen hebben zijn grote glorie aanschouwd, Hun oren zijn heerlijke stem vernomen.
14καὶ εἶπεν αὐτοῖς· προσέχετε ἀπὸ παντὸς ἀδίκου· καὶ ἐνετείλατο αὐτοῖς ἑκάστῳ περὶ τοῦ πλησίον.
14Hij sprak tot hen: “Wacht u voor alle kwaad”; En gaf iedereen geboden over zijn naaste.
15αἱ ὁδοὶ αὐτῶν ἐναντίον αὐτοῦ διαπαντός, οὐ κρυβήσονται ἀπὸ τῶν ὀφθαλμῶν αὐτοῦ.
15Hun wegen liggen altijd voor Hem open, En zijn niet verborgen voor zijn ogen;
17ἑκάστῳ ἔθνει κατέστησεν ἡγούμενον, καὶ μερὶς Κυρίου Ἰσραήλ ἐστιν.
no verse 17 in this text
19ἅπαντα τὰ ἔργα αὐτῶν ὡς ὁ ἥλιος ἐναντίον αὐτοῦ, καὶ οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτοῦ ἐνδελεχεῖς ἐπὶ τὰς ὁδοὺς αὐτῶν.
19Al hun werken staan als de zon voor zijn aanschijn, Want zijn ogen rusten steeds op hun wegen.
20οὐκ ἐκρύβησαν αἱ ἀδικίαι αὐτῶν ἀπ᾿ αὐτοῦ, καὶ πᾶσαι αἱ ἁμαρτίαι αὐτῶν ἔναντι Κυρίου.
20Hun ongerechtigheden zijn voor Hem niet verborgen; Al hun zonden liggen open voor den Heer.
22ἐλεημοσύνη ἀνδρὸς ὡς σφραγὶς μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ χάριν ἀνθρώπου ὡς κόρην συντηρήσει.
22Als een zegelring bewaart Hij de aalmoes der mensen, Iemands weldaad als de appel van het oog;
23μετὰ ταῦτα ἐξαναστήσεται καὶ ἀνταποδώσει αὐτοῖς καὶ τὸ ἀνταπόδομα αὐτῶν εἰς κεφαλὴν αὐτῶν ἀποδώσει·
23Later verheft Hij Zich om het hun te belonen, Of om straf op hun hoofd te doen komen.
24πλὴν μετανοοῦσιν ἔδωκεν ἐπάνοδον καὶ παρεκάλεσεν ἐκλείποντας ὑπομονήν.
24Toch schenkt Hij bekering aan de boetvaardigen. En moedigt de vertwijfelden aan:
25Ἐπίστρεφε ἐπὶ Κύριον καὶ ἀπόλειπε ἁμαρτίας, δεήθητι κατὰ πρόσωπον καὶ σμίκρυνον πρόσκομμα.
25Keer terug tot den Heer, en verlaat de zonden; Bid voor zijn aanschijn, en verminder het kwaad.
26ἐπάναγε ἐπὶ Ὓψιστον καὶ ἀπόστρεφε ἀπὸ ἀδικίας, καὶ σφόδρα μίσησον βδέλυγμα.
26Bekeer u tot God, wend u af van het onrecht. Haat, zo diep als ge kunt, alle gruwel!'.
27Ὑψίστῳ τίς αἰνέσει ἐν ᾅδου ἀντὶ ζώντων καὶ ζώντων καὶ διδόντων ἀνθομολόγησιν;
27Wie zal in het dodenrijk den Allerhoogste loven, Zoals de levenden Hem prijzen?
28ἀπὸ νεκροῦ ὡς μηδὲ ὄντος ἀπόλλυται ἐξομολόγησις· ζῶν καὶ ὑγιὴς αἰνέσει τὸν Κύριον.
28Een dode is niet meer; hij heeft alle lof gestaakt; De levende en gezonde kunnen Jahweh nog loven.
29ὡς μεγάλη ἡ ἐλεημοσύνη τοῦ Κυρίου καὶ ἐξιλασμὸς τοῖς ἐπιστρέφουσιν ἐπ᾿ αὐτόν.
29Hoe groot is Jahweh's ontferming, En zijn erbarming voor die zich tot Hem bekeren!
30οὐ γὰρ δύναται πάντα εἶναι ἐν ἀνθρώποις, ὅτι οὐκ ἀθάνατος υἱὸς ἀνθρώπου.
30Niet alles toch is volmaakt bij de mensen, Daar het mensenkind niet onsterfelijk is.
31τί φωτεινότερον ἡλίου; καὶ τοῦτο ἐκλείπει· καὶ πονηρὸς ἐνθυμηθήσεται σάρκα καὶ αἷμα.
31Wat straalt er meer dan de zon; toch wordt ze verduisterd: En de mens is maar een schepsel van vlees en bloed.
32δύναμιν ὕψους οὐρανοῦ αὐτὸς ἐπισκέπτεται, καὶ οἱ ἄνθρωποι πάντες γῆ καὶ σποδός.
32Hij overziet het heir aan de hoge hemel, Maar de mensen zijn allen stof en as.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.