ΣΕΙΡΑΧ
Chapter 18
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΣΕΙΡΑΧ 18

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ο ΖΩΝ εἰς τὸν αἰῶνα ἔκτισε τὰ πάντα κοινῇ·
1Hij die in eeuwigheid leeft, en het heelal heeft geschapen,
2Κύριος μόνος δικαιωθήσεται. [καὶ οὐκ ἔστιν ἄλλος πλὴν αὐτοῦ
2Jahweh alleen wordt rechtvaardig bevonden.
3οἰακίζων τὸν κόσμον ἐν σπιθαμῇ χειρὸς αὐτοῦ, καὶ πάντα ὑπακούει τῷ θελήματι αὐτοῦ, αὐτὸς γὰρ βασιλεὺς πάντων ἐν κράτει αὐτοῦ, διαστέλλων ἐν αὐτοῖς ἅγια ἀπὸ βεβήλων].
no verse 3 in this text
4οὐθενὶ ἐξεποίησεν ἐξαγγεῖλαι τὰ ἔργα αὐτοῦ· καὶ τίς ἐξιχνιάσει τὰ μεγαλεῖα αὐτοῦ;
4Geen mens is in staat, zijn werken te melden; Wie zou zijn grootheid kunnen doorgronden?
5κράτος μεγαλωσύνης αὐτοῦ τίς ἐξαριθμήσεται; καὶ τίς προσθήσει ἐκδιηγήσασθαι τὰ ἐλέη αὐτοῦ;
5Wie zou zijn grote macht kunnen meten, Of wie zijn barmhartigheid kunnen verhalen?
6οὐκ ἔστιν ἐλαττῶσαι οὐδὲ προσθεῖναι, καὶ οὐκ ἔστιν ἐξιχνιάσαι τὰ θαυμάσια τοῦ Κυρίου·
6Niets kan men er af doen en niets er aan toevoegen: Jahweh's wonderwerken zijn niet te doorgronden.
7ὅταν συντελέσῃ ἄνθρωπος, τότε ἄρχεται, καὶ ὅταν παύσηται, τότε ἀπορηθήσεται.
7Als de mens er mee eindigt, is het pas begonnen; Als hij er mee ophoudt, staat hij verlegen.
8τί ἄνθωπος καὶ τί ἡ χρῆσις αὐτοῦ; τί τὸ ἀγαθὸν αὐτοῦ καὶ τί τὸ κακὸν αὐτοῦ;
8Wat is de mens en waartoe van nut; Wat brengt hij voor voordeel of nadeel?
9ἀριθμὸς ἡμερῶν ἀνθρώπου πολλὰ ἔτη ἑκατόν·
9Het getal zijner dagen is op zijn hoogst honderd jaar;
10ὡς σταγὼν ὕδατος ἀπὸ θαλάσσης καὶ ψῆφος ἄμμου, οὕτως ὀλίγα ἔτη ἐν ἡμέρᾳ αἰῶνος.
10Een druppel water der zee, een korreltje zand.
11διὰ τοῦτο ἐμακροθύμησε Κύριος ἐπ᾿ αὐτοῖς καὶ ἐξέχεεν ἐπ᾿ αὐτοὺς τὸ ἔλεος αὐτοῦ.
11Daarom is Jahweh lankmoedig met hem, En stort Hij zijn erbarming over hem uit.
12εἶδε καὶ ἐπέγνω τὴν καταστροφὴν αὐτῶν ὅτι πονηρά· διὰ τοῦτο ἐπλήθυνε τὸν ἐξιλασμὸν αὐτοῦ.
12Hij ziet en weet, hoe moeilijk zij zich bekeren; Daarom vermeerdert Hij nog zijn erbarmen.
13ἔλεος ἀνθρώπου ἐπὶ τὸν πλησίον αὐτοῦ, ἔλεος δὲ Κυρίου ἐπὶ πᾶσαν σάρκα· ἐλέγχων καὶ παιδεύων καὶ διδάσκων καὶ ἐπιστρέφων ὡς ποιμὴν τὸ ποίμνιον αὐτοῦ.
13Een mens ontfermt zich slechts over zijn naaste, Maar God ontfermt Zich over alle vlees. Hij tuchtigt, bestraft en onderricht, En leidt als een herder zijn kudde;
14τοὺς ἐκδεχομένους παιδείαν ἐλεᾷ καὶ τοὺς κατασπεύδοντας ἐπὶ τὰ κρίματα αὐτοῦ.
14Hij ontfermt Zich over hen, die zijn tucht aanvaarden, En zich beijveren voor zijn wetten.
15Τέκνον, ἐν ἀγαθοῖς μὴ δῷς μῶμον καὶ ἐν πάσῃ δόσει λύπην λόγων.
15Kind, voeg bij uw gave geen verwijt, Geen krenkend woord bij een gift.
16οὐχὶ καύσωνα ἀναπαύσει δρόσος; οὕτως κρείσσων λόγος ἢ δόσις.
16Brengt de dauw geen verkoeling na de hitte? Zo is een goed woord beter nog dan een gave.
17οὐκ ἰδοὺ λόγος ὑπὲρ δόμα ἀγαθόν; καὶ ἀμφότερα παρὰ ἀνδρὶ κεχαριτωμένῳ.
17Zie, gaat een goed woord niet een goede gave te boven? Een beminnelijk man beschikt over beide;
18μωρὸς ἀχαρίστως ὀνειδιεῖ, καὶ δόσις βασκάνου ἐκτήκει ὀφθαλμούς.
18Maar een dwaas doet liefdeloos verwijten, En de gift van zo'n vitter perst tranen uit de ogen.
19πρὶν ἢ λαλῆσαι μάνθανε, καὶ πρὸ ἀρρωστίας θεραπεύου.
19Vóór ge spreekt, moet ge leren, En genezen, eer de ziekte er is.
20πρὸ κρίσεως ἐξέταζε σεαυτόν, καὶ ἐν ὥρᾳ ἐπισκοπῆς εὑρήσεις ἐξιλασμόν.
20Onderzoek uzelf vóór het oordeel, Om op het uur der bezoeking erbarming te vinden;
21πρὶν ἀρρωστῆσαί σε ταπεινώθητι καὶ ἐν καιρῷ ἁμαρτημάτων δεῖξον ἐπιστροφήν.
21Vóórdat ge ziek wordt, moet ge u vernederen, Ten tijde der zonden reeds bekering tonen.
22μὴ ἐμποδισθῇς τοῦ ἀποδοῦναι εὐχὴν εὐκαίρως, καὶ μὴ μείνῃς ἕως θανάτου δικαιωθῆναι.
22Verzuim niet, op tijd een belofte te vervullen, En wacht niet tot de dood, om die schuld te voldoen.
23πρὶν εὔξασθαι, ἑτοίμασον σεαυτὸν καὶ μὴ γίνου ὡς ἄνθρωπος πειράζων τὸν Κύριον.
23Eer ge iets belooft, moet ge u bezinnen; Wees niet als een mens, die Jahweh beproeft.
24μνήσθητι θυμοῦ ἐν ἡμέραις τελευτῆς καὶ καιρὸν ἐκδικήσεως ἐν ἀποστροφῇ προσώπου.
24Denk aan de toorn op de dag van het einde, Aan de tijd der vergelding, als God Zich afkeert;
25μνήσθητι καιρὸν λιμοῦ ἐν καιρῷ πλησμονῆς, πτωχείαν καὶ ἔνδειαν ἐν ἡμέραις πλούτου.
25Denk aan de honger ten tijde van weelde, Aan armoe en gebrek in dagen van rijkdom.
26ἀπὸ πρωΐθεν ἕως ἑσπέρας μεταβάλλει καιρός, καὶ πάντα ἐστὶ ταχινὰ ἔναντι Κυρίου.
26Van 's morgens tot 's avonds wisselt de tijd; Alles ijlt voorbij voor het aanschijn van Jahweh.
27ἄνθρωπος σοφὸς ἐν παντὶ εὐλαβηθήσεται καὶ ἐν ἡμέραις ἁμαρτιῶν προσέξει ἀπὸ πλημμελείας.
27Een verstandig man neemt zich bij alles in acht, En wacht zich in zondige tijden voor een misstap.
28πᾶς συνετὸς ἔγνω σοφίαν καὶ τῷ εὑρόντι αὐτὴν δώσει ἐξομολόγησιν.
28Wie verstandig is, wil wijsheid leren, En prijst hem, die haar heeft gevonden.
29συνετοὶ ἐν λόγοις καὶ αὐτοὶ ἐσοφίσαντο καὶ ἀνώμβρησαν παροιμίας ἀκριβεῖς.
29Die spreuken verstaan, onderrichten de wijsheid, En brengen scherpzinnige gelijkenissen voort.
30Ὀπίσω τῶν ἐπιθυμιῶν σου μὴ πορεύου καὶ ἀπὸ τῶν ὀρέξεών σου κωλύου.
30Loop niet achter uw begeerten aan, En houd u ver van uw lusten;
31ἐὰν χορηγήσῃς τῇ ψυχῇ σου εὐδοκίαν ἐπιθυμίας, ποιήσει σε ἐπίχαρμα τῶν ἐχθρῶν σου.
31Als ge u toestaat, wat de hartstocht wil, Maakt ge uzelf tot een vreugd voor uw vijand.
32μὴ εὐφραίνου ἐπὶ πολλῇ τρυφῇ, μηδὲ προσδεθῇς συμβολῇ αὐτῆς.
32Verheug u niet over een weinig genot, Want dubbel zwaar valt dan het gemis;
33μὴ γίνου πτωχὸς συμβολοκοπῶν ἐκ δανεισμοῦ, καὶ οὐδέν σοί ἐστιν ἐν μαρσιπείῳ.
33Wees geen verkwister en geen drinker, Want dan blijft er niets in de buidel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.