Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΕΝ ἔτει τρίτῳ τῆς βασιλείας Ἰωακεὶμ βασιλέως Ἰούδα ἦλθε Ναβουχοδονόσορ ὁ βασιλεὺς Βαβυλῶνος εἰς Ἱερουσαλὴμ καὶ ἐπολιόρκει αὐτήν.
1In het derde jaar der regering van Jehojakim, koning van Juda, trok Nabukodonosor, koning van Babel, tegen Jerusalem op, en belegerde het.
2καὶ ἔδωκε Κύριος ἐν χειρὶ αὐτοῦ τὸν Ἰωακεὶμ βασιλέα Ἰούδα καὶ ἀπὸ μέρους τῶν σκευῶν οἴκου τοῦ Θεοῦ, καὶ ἤνεγκεν αὐτὰ εἰς γῆν Σενναὰρ οἴκου τοῦ Θεοῦ αὐτοῦ· καὶ τὰ σκεύη εἰσήνεγκεν εἰς τὸν οἶκον θησαυροῦ τοῦ Θεοῦ αὐτοῦ.
2De Heer leverde Jehojakim, koning van Juda, met een gedeelte der vaten van Gods huis aan hem uit. De tempelvaten bracht hij naar Sjinar over in de tempel van zijn god, en plaatste ze in de schatkamer van zijn god.
3καὶ εἶπεν ὁ βασιλεὺς τῷ Ἀσφανὲζ τῷ ἀρχιευνούχῳ αὐτοῦ εἰσαγαγεῖν ἀπὸ τῶν υἱῶν τῆς αἰχμαλωσίας Ἰσραὴλ καὶ ἀπὸ τοῦ σπέρματος τῆς βασιλείας καὶ ἀπὸ τῶν φορθομμὶν
3Bovendien gaf de koning aan Asjpenaz, het hoofd zijner eunuchen, bevel, enige Israëlieten, die van koninklijke bloede waren of tot de adel behoorden, mee te nemen.
4νεανίσκους. οἷς οὐκ ἔστιν ἐν αὐτοῖς μῶμος καὶ καλοὺς τῇ ὄψει καὶ συνιέντας ἐν πάσῃ σοφίᾳ καὶ γινώσκοντας γνῶσιν καὶ διανοουμένους φρόνησιν καὶ οἷς ἐστιν ἰσχὺς ἐν αὐτοῖς ἑστάναι ἐν τῷ οἴκῳ ἐνώπιον τοῦ βασιλέως, καὶ διδάξαι αὐτοὺς γράμματα καὶ γλῶσσαν Χαλδαίων.
4Het moesten jonge mannen zijn zonder enig lichaamsgebrek, schoon van gestalte, veelzijdig ontwikkeld, met grote kennis en verstandelijke aanleg, en geschikt om dienst te doen in het paleis van den koning. Hij moest ze onderricht geven in het schrift en de taal der Chaldeën,
5καὶ διέταξεν αὐτοῖς ὁ βασιλεὺς τὸ τῆς ἡμέρας καθ' ἡμέραν ἀπὸ τῆς τραπέζης τοῦ βασιλέως καὶ ἀπὸ τοῦ οἴνου τοῦ ποτοῦ αὐτοῦ καὶ θρέψαι αὐτοὺς ἔτη τρία καὶ μετὰ ταῦτα στῆναι ἐνώπιον τοῦ βασιλέως.
5terwijl de koning zelf hun dagelijks voedsel bepaalde van de spijzen der koninklijke tafel en van de wijn uit zijn eigen kelder. Zo moesten ze drie jaar lang worden opgeleid, om dan in dienst van den koning te treden.
6καὶ ἐγένετο ἐν αὐτοῖς ἐκ τῶν υἱῶν Ἰούδα Δανιὴλ καὶ Ἀνανίας καὶ Ἀζαρίας καὶ Μισαήλ.
6Onder hen bevonden zich ook de Judeërs Daniël, Chananja, Misjaël en Azarja;
7καὶ ἐπέθηκεν αὐτοῖς ὁ ἀρχιευνοῦχος ὀνόματα τῷ Δανιὴλ Βαλτάσαρ καὶ τῷ Ἀνανίᾳ Σεδρὰχ καὶ τῷ Μισαὴλ Μισὰχ καὶ τῷ Ἀζαρίᾳ Ἀβδεναγώ.
7maar het hoofd der eunuchen gaf hun andere namen: Beltsjassar aan Daniël, Sjadrak aan Chananja, Mesjak aan Misjaël, en Abed-Nego aan Azarja.
8καὶ ἔθετο Δανιὴλ εἰς τὴν καρδίαν αὐτοῦ ὡς οὐ μὴ ἀλισγηθῇ ἐν τῇ τραπέζῃ τοῦ βασιλέως καὶ ἐν τῷ οἴνῳ τοῦ ποτοῦ αὐτοῦ καὶ ἠξίωσε τὸν ἀρχιευνοῦχον ὡς οὐ μὴ ἀλισγηθῇ.
8Maar Daniël had het vaste voornemen gemaakt, zich niet te verontreinigen met de spijzen der koninklijke tafel en met de wijn uit diens kelder; daarom vroeg hij het hoofd der eunuchen verlof, zich van onreine spijzen te mogen onthouden.
9καὶ ἔδωκεν ὁ Θεὸς τὸν Δανιὴλ εἰς ἔλεον καὶ εἰς οἰκτιρμὸν ἐνώπιον τοῦ ἀρχιευνούχου.
9Maar ofschoon God Daniël gunst en medelijden bij het hoofd der eunuchen had doen vinden,
10καὶ εἶπεν ὁ ἀρχιευνοῦχος τῷ Δανιήλ· φοβοῦμαι ἐγὼ τὸν κύριόν μου τὸν βασιλέα τὸν ἐκτάξαντα τὴν βρῶσιν ὑμῶν καὶ τὴν πόσιν ὑμῶν, μή ποτε ἴδῃ τὰ πρόσωπα ὑμῶν σκυθρωπὰ παρὰ τὰ παιδάρια τὰ συνήλικα ὑμῶν καὶ καταδικάσητε τὴν κεφαλήν μου τῷ βασιλεῖ.
10zei toch het hoofd der eunuchen tot Daniël: Ik ben bang, dat mijn koninklijke meester, die zelf uw spijs en drank heeft bepaald, uw voorkomen minder gunstig zal vinden dan van de andere knapen van uw jaren, en dat ik dan door uw schuld mijn hoofd bij den koning verbeur.
11καὶ εἶπε Δανιὴλ πρὸς Ἀμελσάδ, ὃν κατέστησεν ὁ ἀρχιευνοῦχος ἐπὶ Δανιήλ, Ἀνανίαν, Μισαήλ, Ἀζαρίαν·
11Nu deed Daniël een poging bij den kamerheer, aan wiens zorg het hoofd der eunuchen Daniël, Chananja, Misjaël en Azarja had toevertrouwd:
12πείρασον δὴ τοὺς παῖδάς σου ἡμέρας δέκα, καὶ δότωσαν ἡμῖν ἀπὸ τῶν σπερμάτων, καὶ φαγώμεθα καὶ ὕδωρ πιώμεθα·
12Neem eens een proef met uw dienaren tien dagen lang, en laat ons enkel groenten eten en water drinken.
13καὶ ὀφθήτωσαν ἐνώπιόν σου αἱ ἰδέαι ἡμῶν καὶ αἱ ἰδέαι τῶν παιδαρίων τῶν ἐσθιόντων τὴν τράπεζαν τοῦ βασιλέως, καὶ καθὼς ἐὰν ἴδῃς, ποίησον μετὰ τῶν παίδων σου.
13Vergelijk dan ons voorkomen met dat van de knapen, die van de koninklijke dis hebben gegeten; en handel dan met uw dienaren naar uw bevinding.
14καὶ εἰσήκουσεν αὐτῶν καὶ ἐπείρασεν αὐτοὺς ἡμέρας δέκα.
14Hij was hun terwille, en nam met hen een proef van tien dagen.
15καὶ μετὰ τὸ τέλος τῶν δέκα ἡμερῶν ὡράθησαν αἱ ἰδέαι αὐτῶν ἀγαθαὶ καὶ ἰσχυραὶ ταῖς σαρξὶν ὑπὲρ τὰ παιδάρια τὰ ἐσθίοντα τὴν τράπεζαν τοῦ βασιλέως.
15En na verloop van tien dagen zagen zij er beter en welvarender uit dan al de andere knapen, die van de koninklijke dis hadden gegeten.
16καὶ ἐγένετο Ἀμελσὰδ ἀναιρούμενος τὸ δεῖπνον αὐτῶν καὶ τὸν οἶνον τοῦ πόματος αὐτῶν καὶ ἐδίδου αὐτοῖς σπέρματα.
16Toen nam de kamerheer de spijzen en de wijn, die ze moesten gebruiken, weg, en gaf hun groenten.
17καὶ τὰ παιδάρια ταῦτα, οἱ τέσσαρες αὐτοί, ἔδωκεν αὐτοῖς ὁ Θεὸς σύνεσιν καὶ φρόνησιν ἐν πάσῃ γραμματικῇ καὶ σοφίᾳ· καὶ Δανιὴλ συνῆκεν ἐν πάσῃ ὁράσει καὶ ἐνυπνίοις.
17Daarom schonk God, behalve wijsheid, die vier jonge mannen begrip en kennis van allerlei schrift, en aan Daniël bovendien inzicht in alle visioenen en dromen.
18καὶ μετὰ τὸ τέλος τῶν ἡμερῶν, ὧν εἶπεν ὁ βασιλεὺς εἰσαγαγεῖν αὐτούς, καὶ εἰσήγαγεν αὐτοὺς ὁ ἀρχιευνοῦχος ἐναντίον Ναβουχοδονόσορ.
18Toen dan ook de tijd was verstreken, waarop zij op bevel van den koning vóór hem moesten worden gebracht, en de overste der eunuchen ze aan Nabukodonosor had voorgesteld,
19καὶ ἐλάλησε μετ' αὐτῶν ὁ βασιλεύς, καὶ οὐχ εὑρέθησαν ἐκ πάντων αὐτῶν ὅμοιοι Δανιὴλ καὶ Ἀνανίᾳ καὶ Μισαὴλ καὶ Ἀζαρίᾳ· καὶ ἔστησαν ἐνώπιον τοῦ βασιλέως.
19onderhield zich de koning met hen; en het bleek, dat niemand van hen allen zich met Daniël, Chananja, Misjaël en Azarja kon meten. Zo traden zij in dienst van den koning,
20καὶ ἐν παντὶ ρήματι σοφίας καὶ ἐπιστήμης, ὧν ἐζήτησε παρ' αὐτῶν ὁ βασιλεύς, εὗρεν αὐτοὺς δεκαπλασίονας παρὰ πάντας τοὺς ἐπαοιδοὺς καὶ τοὺς μάγους τοὺς ὄντας ἐν πάσῃ τῇ βασιλείᾳ αὐτοῦ.
20en in iedere zaak, waarbij het aankwam op wijsheid en inzicht, bemerkte de koning, zo dikwijls hij hen ondervroeg, dat zij tienmaal bekwamer waren dan alle zieners en waarzeggers in heel zijn rijk.
21καὶ ἐγένετο Δανιὴλ ἕως ἔτους ἑνὸς Κύρου τοῦ βασιλέως.
21Daniël bleef daar tot het eerste jaar van koning Cyrus.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.