ΣΕΙΡΑΧ 33
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Τ† φοβουμένῳ Κύριον οὐκ ἀπαντήσει κακόν, ἀλλ᾿ ἐν πειρασμῷ καὶ πάλιν ἐξελεῖται.
1Wie Jahweh vreest, hem treft geen onheil; En wordt hij beproefd, hij wordt telkens bevrijd.
2ἀνὴρ σοφὸς οὐ μισήσει νόμον, ὁ δὲ ὑποκρινόμενος ἐν αὐτῷ, ὡς ἐν καταιγίδι πλοῖον.
2Het is niet verstandig, de Wet te haten, Want men verliest de koers als een schip in de storm.
3ἄνθρωπος συνετὸς ἐμπιστεύσει νόμῳ, καὶ ὁ νόμος αὐτῷ πιστὸς ὡς ἐρώτημα δήλων.
3Een verstandig man geeft acht op Gods woord, En vertrouwt op zijn Wet als op een orakel.
4ἑτοίμασον λόγον καὶ οὕτως ἀκουσθήσῃ, σύνδησον παιδείαν καὶ ἀποκρίθητι.
4Bereid uw zaak voor en handel dan; Zorg eerst voor een rusthuis en neem dan rust.
5τροχὸς ἁμάξης σπλάγχνα μωροῦ, καὶ ὡς ἄξων στρεφόμενος ὁ διαλογισμὸς αὐτοῦ.
5Als het rad van een wagen is het hart van een dwaas, Als een wentelend wiel zijn gedachten.
6ἵππος εἰς ὀχείαν ὡς φίλος μωκός, ὑποκάτω παντὸς ἐπικαθημένου χρεμετίζει.
6Wie telkens wisselt van vriend, gelijkt op een hengst, Die hinnikt onder iederen ruiter.
7Διατί ἡμέρα ἡμέρας ὑπερέχει, καὶ πᾶν φῶς ἡμέρας ἐνιαυτοῦ ἀφ᾿ ἡλίου;
7Waarom verschilt de ene dag van de ander? Het licht komt toch van dezelfde zon!
8ἐν γνώσει Κυρίου διεχωρίσθησαν, καὶ ἠλλοίωσε καιροὺς καὶ ἑορτάς·
8Door Jahweh's wijsheid zijn ze onderscheiden, Sommige er van zijn dagen van feest;
9ἀπ᾿ αὐτῶν ἀνύψωσε καὶ ἡγίασε καὶ ἐξ αὐτῶν ἔθηκεν εἰς ἀριθμὸν ἡμερῶν.
9Want sommige heeft Hij gezegend en geheiligd, En andere tot gewone dagen gemaakt.
10καὶ ἄνθρωποι πάντες ἀπὸ ἐδάφους, καὶ ἐκ γῆς ἐκτίσθη Ἀδάμ.
10Zo is iedere mens uit stof, Omdat de mens uit aarde is gemaakt.
11ἐν πλήθει ἐπιστήμης Κύριος διεχώρισεν αὐτοὺς καὶ ἠλλοίωσε τὰς ὁδοὺς αὐτῶν.
11Maar Jahweh's wijsheid deed hen uiteengaan, En maakte hun wegen verschillend.
12ἐξ αὐτῶν εὐλόγησε καὶ ἀνύψωσε καὶ ἐξ αὐτῶν ἡγίασε, καὶ πρὸς αὐτὸν ἤγγισεν· ἀπ᾿ αὐτῶν κατηράσατο καὶ ἐταπείνωσε καὶ ἀνέστρεψεν αὐτοὺς ἀπὸ στάσεως αὐτῶν.
12Sommigen van hen heeft Hij gezegend en verheven; Hen geheiligd, en tot Zich getrokken; Anderen heeft Hij gevloekt en vernederd, En ze verdreven uit hun woonsteden.
13ὡς πηλὸς κεραμέως ἐν χειρὶ αὐτοῦ πᾶσαι αἱ ὁδοὶ αὐτοῦ κατὰ τὴν εὐδοκίαν αὐτοῦ , οὕτως ἄνθρωποι ἐν χειρὶ τοῦ ποιήσαντος αὐτοὺς ἀποδοῦναι αὐτοῖς κατὰ τὴν κρίσιν αὐτοῦ.
13Zoals de klei in de hand van den pottenbakker Vorm ontvangt naar zijn verkiezing, Zo is de mens in de hand van zijn Schepper: Van Hem ontvangt hij zijn taak.
14ἀπέναντι τοῦ κακοῦ τὸ ἀγαθὸν καὶ ἀπέναντι τοῦ θανάτου ἡ ζωή· οὕτως ἀπέναντι εὐσεβοῦς ἁμαρτωλός.
14Tegenover het kwaad staat het goed, Tegenover het leven de dood; Tegenover den goede staat de slechte, Zoals licht tegenover duisternis staat.
15καὶ οὕτως ἔμβλεψον εἰς πάντα τὰ ἔργα τοῦ Ὑψίστου, δύο δύο, ἓν κατέναντι τοῦ ἑνός.
15Zie naar al de werken Gods; Altijd zijn het er twee, het een tegenover het ander.
16Κἀγὼ ἔσχατος ἠγρύπνησα ὡς καλαμώμενος ὀπίσω τρυγητῶν·
16Al ben ik als laatste gekomen, Als een arenlezer achter de maaiers,
17ἐν εὐλογίᾳ Κυρίου ἔφθασα καὶ ὡς τρυγῶν ἐπλήρωσα ληνόν.
17Toch snelde ook ik onder Gods zegen toe, En heb als een oogster mijn wijnkuip gevuld.
18κατανοήσατε ὅτι οὐκ ἐμοὶ μόνῳ ἐκοπίασα, ἀλλὰ πᾶσι τοῖς ζητοῦσι παιδείαν.
18Ziet, hoe ik niet alleen voor mijzelf heb gewerkt, Maar voor allen, die wijsheid zoeken.
19ἀκούσατέ μου, μεγιστάνες λαοῦ, καὶ οἱ ἡγούμενοι ἐκκλησίας, ἐνωτίσασθε·
19Hoort dus, prinsen van geheel het volk, Gij, leiders der gemeente, luistert naar mij!
20υἱῷ καὶ γυναικί, ἀδελφῷ καὶ φίλῳ μὴ δῷς ἐξουσίαν ἐπὶ σὲ ἐν ζωῇ σου· καὶ μὴ δῷς ἑτέρῳ τὰ χρήματά σου, ἵνα μὴ μεταμεληθεὶς δέῃ περὶ αὐτῶν.
20Kind of vrouw, broer of vriend, Laat ze niet heersen over uw leven.
21ἕως ἔτι ζῇς καὶ πνοὴ ἐν σοί, μὴ ἀλλάξῃς σεαυτὸν πάσῃ σαρκί.
21Zo lang er leven in u is en adem, Zij niemand over u de baas. Geef uw vermogen niet aan een ander, Opdat ge hem later niet behoeft te vragen.
22κρείσσων γάρ ἐστι τὰ τέκνα δεηθῆναί σου ἢ σὲ ἐμβλέπειν εἰς χεῖρας υἱῶν σου.
22Want beter is het, dat uw kinderen u moeten bidden, Dan dat gij naar de hand van uw kinderen moet zien.
23ἐν πᾶσι τοῖς ἔργοις σου γίνου ὑπεράγων, μὴ δῷς μῶμον ἐν τῇ δόξῃ σου.
23Blijf heer en meester bij al wat ge doet,
24ἐν ἡμέρᾳ συντελείας ἡμερῶν ζωῆς σου καὶ ἐν καιρῷ τελευτῆς διάδος κληρονομίαν.
24En werp geen smet op uw eer; Als het getal van uw dagen voleind is, Op de dag van de dood, verdeel eerst dan uw bezit.
25Χορτάσματα καὶ ράβδος καὶ φορτία ὄνῳ, ἄρτος καὶ παιδεία καὶ ἔργον οἰκέτῃ.
25Zoals hooi, stok en last bij den ezel, Zo passen straf en werk bij den slaaf.
26ἔργασαι ἐν παιδί, καὶ εὑρήσεις ἀνάπαυσιν· ἄνες χεῖρας αὐτῷ, καὶ ζητήσει ἐλευθερίαν.
26Laat uw slaaf werken, zonder verpozen, Want maakt ge het hem licht, dan wordt hij u ontrouw.
27ζυγὸς καὶ ἱμὰς κάμψουσι τράχηλον, καὶ οἰκέτῃ κακούργῳ στρέβλαι καὶ βάσανοι.
27Juk, boeien en roede maken hem gedwee; Bestraf dus een slechten slaaf met gestrengheid.
28ἔμβαλε αὐτὸν εἰς ἐργασίαν. ἵνα μὴ ἀργῇ, πολλὴν γὰρ κακίαν ἐδίδαξεν ἡ ἀργία.
28Laat uw slaaf werken, en hij wordt niet opstandig; Want ledigheid veroorzaakt veel kwaad.
29εἰς ἔργα κατάστησον, καθὼς πρέπει αὐτῷ, κἂν μὴ πειθαρχῇ, βάρυνον τὰς πέδας αὐτοῦ.
29Zet hem aan het werk, zoals het hem past; En gehoorzaamt hij niet, sla zijn voeten in kluisters.
30καὶ μὴ περισσεύσῃς ἐν πάσῃ σαρκί, καὶ ἄνευ κρίσεως μὴ ποιήσῃς μηδέν.
30Maar ga u nooit tegen iemand te buiten, En doe nimmer iets zonder recht.
31εἰ ἔστι σοι οἰκέτης, ἔστω ὡς σύ, ὅτι ἐν αἵματι ἐκτήσω αὐτόν.
31Bezit ge een slaaf, heb hem lief als uzelf, Want ge hebt hem ook nodig als uzelf;
32εἰ ἔστι σοι οἰκέτης, ἄγε αὐτὸν ὡς ἀδελφόν, ὅτι ὡς ἡ ψυχή σου ἐπιδεήσεις αὐτοῦ.
32Hebt ge een slaaf, beschouw hem als broeder, En woed niet tegen uw eigen bloed.
33ἐὰν κακώσῃς αὐτὸν καὶ ἀπάρας ἀποδρᾷ, ἐν ποίᾳ ὁδῷ ζητήσεις αὐτόν;
33Want behandelt ge hem slecht, dan loopt hij weg; En zijt ge hem kwijt, waar vindt ge hem terug?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.