ΣΕΙΡΑΧ
Chapter 30
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΣΕΙΡΑΧ 30

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΠΕΡΙ ΤΕΚΝΩΝ. Ὁ ἀγαπῶν τὸν υἱὸν αὐτοῦ ἐνδελεχήσει μάστιγας αὐτῷ, ἵνα εὐφρανθῇ ἐπ᾿ ἐσχάτῳ αὐτοῦ.
1Wie zijn zoon liefheeft, gewent hem aan de roede, Om ten slotte vreugde aan hem te beleven.
2ὁ παιδεύων τὸν υἱὸν αὐτοῦ ὀνήσεται ἐπ᾿ αὐτῷ καὶ ἀνὰ μέσον γνωρίμων ἐπ᾿ αὐτῷ καυχήσεται·
2Wie zijn zoon goed opvoedt, wordt om hem geprezen, En in de kring van bekenden kan hij groot op hem gaan.
3ὁ διδάσκων τὸν υἱὸν αὐτοῦ παραζηλώσει τὸν ἐχθρὸν καὶ ἔναντι φίλων ἐπ᾿ αὐτῷ ἀγαλλιάσεται.
3Wie zijn zoon onderricht, maakt zijn vijand jaloers, En kan zich bij zijn vrienden over hem verheugen.
4ἐτελεύτησεν αὐτοῦ ὁ πατήρ, καὶ ὡς οὐκ ἀπέθανεν· ὅμοιον γὰρ αὐτῷ κατέλιπε μετ᾿ αὐτόν.
4Sterft zijn vader, het is alsof hij niet dood is; Want hij laat zijn evenbeeld achter.
5ἐν τῇ ζωῇ αὐτοῦ εἶδε καὶ εὐφράνθη καὶ ἐν τῇ τελευτῇ αὐτοῦ οὐκ ἐλυπήθη.
5Bij zijn leven zag hij het met vreugde, En bij zijn einde heeft hij geen kommer;
6ἐναντίον ἐχθρῶν κατέλιπεν ἔκδικον καὶ τοῖς φίλοις ἀνταποδιδόντα χάριν.
6Want den vijand laat hij een wreker na, En de vrienden een, die hun goedheid vergeldt.
7περιψύχων υἱὸν καταδεσμεύσει τραύματα αὐτοῦ, καὶ ἐπὶ πάσῃ βοῇ ταραχθήσεται σπλάγχνα αὐτοῦ.
7Wie zijn zoon vertroetelt, verdubbelt zijn smart; Want bij ieder geschrei wordt zijn hart ontsteld.
8ἵππος ἀδάμαστος ἀποβαίνει σκληρός, καὶ υἱὸς ἀνειμένος ἐκβαίνει προαλής.
8Een ongebreideld paard slaat op hol; Zo gaat een teugelloze zoon er van door.
9τιθήνησον τέκνον, καὶ ἐκθαμβήσει σε· σύμπαιξον αὐτῷ, καὶ λυπήσει σε.
9Vertroetel uw kind, en het maakt u benauwd; Scherts er mee, en het doet u pijn.
10μὴ συγγελάσῃς αὐτῷ, ἵνα μὴ συνοδυνηθῇς, καὶ ἐπ᾿ ἐσχάτῳ γομφιάσεις τοὺς ὀδόντας σου.
10Lach het niet toe, anders doet het u wenen, En ge maakt ten slotte uw tanden stomp.
11μὴ δῷς αὐτῷ ἐξουσία ἐν νεότητι· θλάσον τὰς πλευρὰς αὐτοῦ, ὡς ἔστι νήπιος, μήποτε σκληρυνθεὶς ἀπειθήσῃ σοι. [καὶ μὴ παρίδῃς τὰς ἀγνοίας αὐτοῦ.
11Laat het geen baas zijn in zijn jeugd, En duld zijn gebreken niet; Zoals ge een adder de kop verplet, Breek het de ribben, als het nog klein is.
12κάμψον τὸν τράχηλον αὐτοῦ ἐν νεότητι].
12Buig zijn nek in zijn jeugd, En kastijd het, zolang het nog klein is; Anders komt het in opstand en verzet tegen u, En berokkent u hartzeer.
13παίδευσον τὸν υἱόν σου καὶ ἔργασαι ἐν αὐτῷ, ἵνα μὴ ἐν τῇ ἀσχημοσύνῃ αὐτοῦ προσκόψῃς.
13Tuchtig uw kind en verzwaar zijn juk; Anders wordt het u in zijn dwaasheid de baas.
14Κρείσσων πτωχὸς ὑγιὴς καὶ ἰσχύων τῇ ἕξει ἢ πλούσιος μεμαστιγωμένος εἰς σῶμα αὐτοῦ.
14Beter een arme, die gezond is van leden, Dan een rijke, geslagen met ziekte;
15ὑγίεια καὶ εὐεξία βέλτιον παντὸς χρυσίου, καὶ σῶμα εὔρωστον ἢ ὄλβος ἀμέτρητος.
15Gezondheid van lichaam is mij liever dan goud, En opgewektheid van geest is beter dan paarlen.
16οὐκ ἔστι πλοῦτος βελτίων ὑγιείας σώματος, καὶ οὐκ ἔστιν εὐφροσύνη ὑπὲρ χαρὰν καρδίας.
16Geen schat is groter dan een sterke gezondheid, Geen goed meer waard dan blijheid van hart;
17κρείσσων θάνατος ὑπὲρ ζωὴν πικρὰν καὶ ἀνάπαυσις αἰῶνος ἢ ἀρρώστημα ἔμμονον.
17Beter de dood dan een bitter leven, Beter eeuwige rust dan voortdurend leed.
18ἀγαθὰ ἐκκεχυμένα ἐπὶ στόματι κεκλεισμένῳ, θέματα βρωμάτων παρακείμενα ἐπὶ τάφῳ.
18Lekkernijen, opgediend aan een gesloten mond, Zijn als spijzen, neergezet voor een afgodsbeeld.
19τί συμφέρει κάρπωσις εἰδώλῳ; οὔτε γὰρ ἔδεται οὔτε μὴ ὀσφρανθῇ· οὕτως ὁ ἐκδιωκόμενος ὑπὸ Κυρίου,
19Wat heeft een afgodsbeeld aan een offer; Het kan immers niet eten of ruiken. Zo is ook hij, die door den Heer wordt gestraft, En rijkdom bezit, zonder ervan te kunnen genieten:
20βλέπων ἐν ὀφθαλμοῖς καὶ στενάζων ὥσπερ εὐνοῦχος περιλαμβάνων παρθένον καὶ στενάζων.
20Hij ziet het met zijn ogen en steunt, Als een ontmande, die zuchtend een meisje omhelst.
21μὴ δῷς εἰς λύπην τὴν ψυχήν σου καὶ μὴ θλίψῃς σεαυτὸν ἐν βουλῇ σου.
21Geef u niet over aan droefheid, Opdat ge door uw tobben niet te gronde gaat;
22εὐφροσύνη καρδίας ζωὴ ἀνθρώπου, καὶ ἀγαλλίαμα ἀνδρὸς μακροημέρευσις.
22Want blijheid van hart is 's mensen leven, En vreugde maakt zijn dagen lang.
23ἀγάπα τὴν ψυχήν σου καὶ παρακάλει τὴν καρδίαν σου καὶ λύπην μακρὰν ἀπόστησον ἀπὸ σοῦ· πολλοὺς γὰρ ἀπώλεσεν ἡ λύπη, καὶ οὐκ ἔστιν ὠφέλεια ἐν αὐτῇ.
23Houd kalm uw ziel en rustig uw hart, En jaag alle neerslachtigheid verre van u; Want droefheid is voor velen de dood geweest, En neerslachtigheid dient tot niets.
24ζῆλος καὶ θυμὸς ἐλαττοῦσιν ἡμέρας, καὶ πρὸ καιροῦ γῆρας ἄγει μέριμνα.
24Nijd en gramschap verkorten het leven, En zorg maakt oud voor de tijd; De slaap van een opgeruimd mens is als een lekkernij En zijn eten bekomt hem goed.
25λαμπρὰ καρδία καὶ ἀγαθὴ ἐπὶ ἐδέσμασι τῶν βρωμάτων αὐτῆς ἐπιμελήσεται.
no verse 25 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.