ΣΕΙΡΑΧ 40
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΑΣΧΟΛΙΑ μεγάλη ἔκτισται παντὶ ἀνθρώπῳ καὶ ζυγὸς βαρὺς ἐπὶ υἱοὺς Ἀδὰμ ἀφ᾿ ἡμέρας ἐξόδου ἐκ γαστρὸς μητρὸς αὐτῶν ἕως ἡμέρας ἐπιστροφῆς εἰς μητέρα πάντων·
1Grote kommer heeft God beschikt, Een zwaar juk drukt op den mens Van de dag af, dat Hij komt uit de schoot van zijn moeder, Tot de dag, dat hij terugkeert tot de moeder van allen!
2τοὺς διαλογισμοὺς αὐτῶν καὶ φόβον καρδίας, ἐπίνοια προσδοκίας, ἡμέρα τελευτῆς.
2Angstige bezorgdheid en hartevrees, Zorg voor de toekomst tot aan de dag van de dood
3ἀπὸ καθημένου ἐπὶ θρόνου ἐν δόξῃ καὶ ἕως τεταπεινωμένου ἐν γῇ καὶ σποδῷ,
3Is het lot van hem, die op een eretroon zetelt, Als van hem, die neerzit in zak en as;
4ἀπὸ φοροῦντος ὑάκινθον καὶ στέφανον καὶ ἕως περιβαλλομένου ὠμόλινον,
4Van hem, die de mijter draagt met gouden band, Als van hem, die gekleed gaat in dierenvellen. Toorn, naijver, zorg en vrees, Angst voor de dood, twist en strijd zijn zijn deel,
5θυμὸς καὶ ζῆλος καὶ ταραχὴ καὶ σάλος καὶ φόβος θανάτου καὶ μηνίαμα καὶ ἔρις· καὶ ἐν καιρῷ ἀναπαύσεως ἐπὶ κοίτης ὕπνος νυκτὸς ἀλλοιοῖ γνῶσιν αὐτοῦ.
5Zelfs als hij rust op zijn legerstede, Ontstelt de nachtelijke slaap nog zijn hart;
6ὀλίγον ὡς οὐδὲν ἐν ἀναπαύσει, καὶ ἀπ᾿ ἐκείνου ἐν ὕπνοις ὡς ἐν ἡμέρᾳ σκοπιᾶς τεθορυβημένος ἐν ὁράσει καρδίας αὐτοῦ, ὡς ἐκπεφευγὼς ἀπὸ προσώπου πολέμου.
6Een kort ogenblik slechts heeft hij rust, Dan ziet hij in de droom, als was hij klaar wakker.
7ἐν καιρῷ σωτηρίας αὐτοῦ ἐξηγέρθη καὶ ἀποθαυμάζων εἰς οὐδένα φόβον.
7Hij slaat op de vlucht voor de droom van zijn geest, Als een vluchteling, die wegholt voor zijn vervolger; Maar is hij ontkomen, dan schiet hij wakker, En ziet verbaasd, dat hij niets had te vrezen.
8μετὰ πάσης σαρκὸς ἀπὸ ἀνθρώπου ἕως κτήνους, καὶ ἐπὶ ἁμαρτωλῶν ἑπταπλάσια πρὸς ταῦτα·
8Op alle vlees van mens en dier, Maar op den zondaar zevenvoudig,
9θάνατος καὶ αἷμα καὶ ἔρις καὶ ρομφαία, ἐπαγωγαί, λιμὸς καὶ σύντριμμα καὶ μάστιξ,
9Drukt pest en bloed, en koorts en zwaard, Verwoesting, vernieling, honger en dood.
10ἐπὶ τοὺς ἀνόμους ἐκτίσθη ταῦτα πάντα, καὶ δι᾿ αὐτοὺς ἐγένετο ὁ κατακλυσμός.
10Wel werd om den slechte het zwaard geschapen, En komt de ondergang om zijnentwil;
11πάντα, ὅσα ἀπὸ γῆς, εἰς γῆν ἀναστρέφει, καὶ ἀπὸ ὑδάτων εἰς θάλασσαν ἀνακάμπτει.
11Maar al wat uit de aarde komt, keert terug naar de aarde, Doch wat van boven komt, naar boven.
12Πᾶν δῶρον καὶ ἀδικία ἐξαλειφθήσεται, καὶ πίστις εἰς τὸν αἰῶνα στήσεται.
12Ieder onrechtvaardig geschenk gaat te niet, Maar eerlijkheid houdt eeuwig stand.
13χρήματα ἀδίκων ὡς ποταμὸς ξηρανθήσεται καὶ ὡς βροντὴ μεγάλη ἐν ὑετῷ ἐξηχήσει.
13Onrechtvaardig goed is als een woeste stroom, Als een machtige vloed bij een onweersbui:
14ἐν τῷ ἀνοῖξαι αὐτὸν χεῖρας εὐφρανθήσεται, οὕτως οἱ παραβαίνοντες εἰς συντέλειαν ἐκλείψουσιν.
14Ze rukken wel rotsen mee in hun vaart, Maar weldra zijn ze voor altijd voorbij.
15ἔκγονα ἀσεβῶν οὐ πληθύνει κλάδους, καὶ ρίζαι ἀκάθαρτοι ἐπ᾿ ἀκροτόμου πέτρας·
15Een goddeloos geslacht zal geen loten doen spruiten; Want de wortel van den boze ligt op puntige rotsen.
16ἄχει ἐπὶ παντὸς ὕδατος καὶ χείλους ποταμοῦ πρὸ παντὸς χόρτου ἐκτιλήσεται.
16Het riet aan de oever van de stroom, Verdwijnt vóór alle andere planten:
17χάρις ὡς παράδεισος ἐν εὐλογίαις, καὶ ἐλεημοσύνη εἰς τὸν αἰῶνα διαμένει.
17Maar de liefde wijkt in eeuwigheid niet, En rechtvaardigheid houdt eeuwig stand.
18Ζωὴ αὐτάρκους ἐργάτου γλυκανθήσεται, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα ὁ εὑρίσκων θησαυρόν.
18Een leven van wijn en most mag zoet zijn, Maar daarboven gaat het, een schat te vinden;
19τέκνα καὶ οἰκοδομὴ πόλεως στηρίζουσιν ὄνομα, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα γυνὴ ἄμωμος λογίζεται.
19Kind en stad houden de naam in stand, Maar daarboven gaat, wie wijsheid vindt. Vee en land verhogen het aanzien, Maar daarboven gaat een wijze vrouw;
20οἶνος καὶ μουσικὰ εὐφραίνουσι καρδίαν, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα ἀγάπησις σοφίας.
20Wijn en lied verblijden het hart, Maar daarboven gaat de liefde van vrienden.
21αὐλὸς καὶ ψαλτήριον ἡδύνουσι μέλι, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα γλῶσσα ἡδεῖα.
21Luit en harp veraangenamen het lied, Maar daarboven gaat een zachte tong;
22χάριν καὶ κάλλος ἐπιθυμήσει ὁ ὀφθαλμός σου, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα χλόην σπόρου.
22Schoonheid en bevalligheid trekken het oog, Maar daarboven gaat het gewas op het veld.
23φίλος καὶ ἑταῖρος εἰς καιρὸν ἀπαντῶντες, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα γυνὴ μετὰ ἀνδρός.
23Vriend en makker geven op tijd hun raad, Maar daarboven gaat een verstandige vrouw;
24ἀδελφοὶ καὶ βοήθεια εἰς καιρὸν θλίψεως, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα ἐλεημοσύνη ρύσεται.
24Broer en helper steunen in tijden van nood, Maar daarboven gaat de hulp van de deugd.
25χρυσίον καὶ ἀργύριον ἐπιστήσουσι πόδα, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα βουλὴ εὐδοκιμεῖται.
25Goud en zilver schragen de voet, Maar daarboven gaat een goede raad;
26χρήματα καὶ ἰσχὺς ἀνυψώσουσι καρδίαν, καὶ ὑπὲρ ἀμφότερα φόβος Κυρίου· οὐκ ἔστιν ἐν φόβῳ Κυρίου ἐλάττωσις, καὶ οὐκ ἔστιν ἐπιζητῆσαι ἐν αὐτῷ βοήθειαν·
26Rijkdom en weelde verblijden het hart, Maar daarboven gaat de vreze Gods. Bij de vreze Gods is er aan niets gebrek, Naast haar behoeft men geen andere hulp;
27φόβος Κυρίου ὡς παράδεισος εὐλογίας, καὶ ὑπὲρ πᾶσαν δόξαν ἐκάλυψαν αὐτόν.
27De vreze Gods is als een paradijs vol zegen, Een baldakijn, dat alle glorie overtreft.
28Τέκνον, ζωὴν ἐπαιτήσεως μὴ βιώσῃς· κρεῖσσον ἀποθανεῖν ἢ ἐπαιτεῖν.
28Mijn zoon, wil niet van aalmoezen leven; Beter dood dan een bedelaar.
29ἀνὴρ βλέπων εἰς τράπεζαν ἀλλοτρίαν, οὐκ ἔστιν αὐτοῦ ὁ βίος ἐν λογισμῷ ζωῆς, ἀλισγήσει ψυχὴν αὐτοῦ ἐν ἐδέσμασιν ἀλλοτρίοις· ἀνὴρ δὲ ἐπιστήμων καὶ πεπαιδευμένος φυλάξεται.
29Een man, die naar andermans tafel moet snakken, Diens leven heet geen leven meer. Men bezoedelt zich met gekregen brokken; Een verstandig man krijgt er maagpijn van.
30ἐν στόματι ἀναιδοῦς γλυκανθήσεται ἐπαίτησις, καὶ ἐν κοιλίᾳ αὐτοῦ πῦρ καήσεται.
30Een brutale mond smaakt het gebedelde zoet; Maar in zijn binnenste brandt het als vuur.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.