Iesu Filii Sirach 43
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Altitudinis firmamentum pulchritudo ejus est, species cæli in visione gloriæ.
1De grootste luister is het firmament in zijn klaarheid, De gedaante des hemels verkondigt zijn glorie.
2Sol in aspectu annuntians in exitu, vas admirabile, opus Excelsi.
2De zon straalt haar gloed uit bij haar opgang; Hoe wonderbaar is het werk van Jahweh!
3In meridiano exurit terram, et in conspectu ardoris ejus quis poterit sustinere? fornacem custodiens in operibus ardoris:
3's Middags doet zij de aardkorst branden; Wie is er dan tegen haar hitte bestand?
4tripliciter sol exurens montes, radios igneos exsufflans, et refulgens radiis suis obcæcat oculos.
4Zoals de laaiende oven het erts doet gloeien, Zet de zon op haar tocht de bergen in brand; De stralen der zon verzengen het land, En door haar licht wordt het oog verblind.
5Magnus Dominus qui fecit illum, et in sermonibus ejus festinavit iter.]
5Hoe groot is Jahweh, die dat schiep, En door zijn woord zijn helden leidt!
6[Et luna in omnibus in tempore suo, ostensio temporis, et signum ævi.
6Ook de maan straalt haar licht op geregelde tijden, Als een blijvend teken geeft zij de tijdsduur aan;
7A luna signum diei festi: luminare quod minuitur in consummatione.
7Zij bepaalt de feesten en vaste dagen, Als een lieflijk licht doorloopt zij haar baan.
8Mensis secundum nomen ejus est, crescens mirabiliter in consummatione.
8Iedere maand begint zij opnieuw; Hoe indrukwekkend haar wisseling! Een legerstandaard in de wolken daarboven; Zij overdekt het firmament met haar glans.
9Vas castrorum in excelsis, in firmamento cæli resplendens gloriose.
9De sterren zijn de pracht en de luister des hemels, Haar licht glanst in de hoogten Gods;
10Species cæli gloria stellarum: mundum illuminans in excelsis Dominus.
10Op Gods woord staan zij pal, En worden niet moe op hun post.
11In verbis Sancti stabunt ad judicium, et non deficient in vigiliis suis.]
11Beschouw de regenboog en loof zijn Schepper, Want heerlijk is hij in zijn luister;
12[Vide arcum, et benedic eum qui fecit illum: valde speciosus est in splendore suo.
12Hij omvademt het hemelgewelf met zijn pracht, Het is Gods eigen hand, die hem spant.
13Gyravit cælum in circuitu gloriæ suæ: manus Excelsi aperuerunt illum.
13Zijn almacht slingert de bliksem, En schiet zijn straffende pijlen;
14Imperio suo acceleravit nivem, et accelerat coruscationes emittere judicii sui.
14Zijn bevel heeft de voorraadkamers geschapen, Waaruit de wolken vliegen als vogels.
15Propterea aperti sunt thesauri, et evolaverunt nebulæ sicut aves.
15Door zijn grootheid maakt Hij de wolken hard, En brokkelen de hagelstenen zich er van af;
16In magnitudine sua posuit nubes, et confracti sunt lapides grandinis.
16De bergen sidderen door zijn kracht. De zuidenwind vliegt vol schrik voor Hem heen,
17In conspectu ejus commovebuntur montes, et in voluntate ejus aspirabit notus.
17De stem van zijn donder doet de aarde beven, Met de noordenwind, met storm en orkaan.
18Vox tonitrui ejus verberavit terram, tempestas aquilonis, et congregatio spiritus:
18Hij stuurt zijn sneeuw als een vogelzwerm, Als neerstrijkende sprinkhanen valt ze omlaag; Haar witte pracht verblindt het oog, En voor haar jachten beeft het hart.
19et sicut avis deponens ad sedendum, aspergit nivem, et sicut locusta demergens descensus ejus.
19Ook strooit Hij de rijp uit, als was het zout, Zodat bloemen ontluiken als van saffier.
20Pulchritudinem candoris ejus admirabitur oculus, et super imbrem ejus expavescet cor.
20Hij laat de koude noordenwind blazen, Die het ijs doet stollen door zijn vorst; Elk watervlak wordt er mee bedekt, De vijver bekleed als met een pantser.
21Gelu sicut salem effundet super terram: et dum gelaverit, fiet tamquam cacumina tribuli.
21Door droogte verbrandt Hij het gras op de bergen, En de groene landouwen als een vlam;
22Frigidus ventus aquilo flavit, et gelavit crystallus ab aqua: super omnem congregationem aquarum requiescet, et sicut lorica induet se aquis:
22Maar het druppelen der wolken brengt voor alles genezing, De dauw weer verkwikking na de brand.
23et devorabit montes, et exuret desertum, et extinguet viride, sicut igne.
23Hij liet op zijn woord de zeespiegel dalen, En plaatste de eilanden in de oceaan.
24Medicina omnium in festinatione nebulæ: et ros obvians ab ardore venienti humilem efficiet eum.
24Die de zee bezeilen, kunnen haar gevaren vertellen; Onze oren tuiten, als wij het horen:
25In sermone ejus siluit ventus, et cogitatione sua placavit abyssum: et plantavit in illa Dominus insulas.
25Daar zijn gewrochten, de wonderbaarste onder zijn schepsels, Allerlei soort dieren en geweldige monsters;
26Qui navigant mare enarrent pericula ejus, et audientes auribus nostris admirabimur.
26Door Hem worden ze uitgezonden als boden, Die zijn wil volbrengen naar zijn bestel.
27Illic præclara opera et mirabilia, varia bestiarum genera, et omnium pecorum, et creatura belluarum.
27Wij willen er niets meer aan toevoegen; Want kort gezegd: Hij is alles!
28Propter ipsum confirmatus est itineris finis, et in sermone ejus composita sunt omnia.]
28Prijzen wij Hem, wij doorgronden Hem niet; Want Hij gaat al zijn werken te boven.
29[Multa dicemus, et deficiemus in verbis: consummatio autem sermonum ipse est in omnibus.
29Ontzagwekkend is Jahweh boven alle begrip, En wonderbaar zijn zijn daden.
30Gloriantes ad quid valebimus? ipse enim omnipotens super omnia opera sua.
30Wilt gij Jahweh loven, verheft dan uw stem, Zoveel gij kunt, want het is nooit genoeg! Schept steeds nieuwe kracht om te prijzen, En wordt niet moede, want gij benadert Hem niet.
31Terribilis Dominus, et magnus vehementer, et mirabilis potentia ipsius.
31Wie heeft Hem aanschouwd en kan Hem beschrijven; Wie zal Hem loven, zoals Hij is?
32Glorificantes Dominum quantumcumque potueritis, supervalebit enim adhuc: et admirabilis magnificentia ejus.
32Meer nog is er verborgen, dan wat ik noemde; Slechts weinig heb ik van zijn werken gezien.
33Benedicentes Dominum, exaltate illum quantum potestis: major enim est omni laude.
33Jahweh heeft dit alles geschapen, En heeft aan de vromen wijsheid verleend.
34Exaltantes eum, replemini virtute, ne laboretis, non enim comprehendetis.
no verse 34 in this text
35Quis videbit eum et enarrabit? et quis magnificabit eum sicut est ab initio?
no verse 35 in this text
36Multa abscondita sunt majora his: pauca enim vidimus operum ejus.
no verse 36 in this text
37Omnia autem Dominus fecit, et pie agentibus dedit sapientiam.]
no verse 37 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.