Iesu Filii Sirach 50
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Simon, Oniæ filius, sacerdos magnus, qui in vita sua suffulsit domum, et in diebus suis corroboravit templum.
1Is Sjimon, de zoon van Onias, de hogepriester! In zijn dagen werd de tempel hersteld, Het heiligdom in die tijd versterkt;
2Templi etiam altitudo ab ipso fundata est, duplex ædificatio, et excelsi parietes templi.
2In zijn dagen werd de muur herbouwd, De torens van het heiligdom bij het koninklijk paleis.
3In diebus ipsius emanaverunt putei aquarum, et quasi mare adimpleti sunt supra modum.
3In zijn tijd werd de vijver gegraven, Een bekken als een bruisende zee;
4Qui curavit gentem suam, et liberavit eam a perditione:
4Hij verdedigde zijn volk tegen den rover, En versterkte zijn stad tegen den vijand.
5qui prævaluit amplificare civitatem, qui adeptus est gloriam in conversatione gentis, et ingressum domus et atrii amplificavit.
5Hoe heerlijk was hij, als hij uit het tabernakel schouwde, En naar buiten trad achter het voorhangsel uit:
6Quasi stella matutina in medio nebulæ, et quasi luna plena, in diebus suis lucet:
6Als een ster, die tussen de wolken straalt, Als de volle maan in de dagen van Pasen!
7et quasi sol refulgens, sic ille effulsit in templo Dei.
7Als een zon, die straalt over het paleis van een vorst, Als een regenboog, die tussen de wolken verschijnt;
8Quasi arcus refulgens inter nebulas gloriæ, et quasi flos rosarum in diebus vernis, et quasi lilia quæ sunt in transitu aquæ, et quasi thus redolens in diebus æstatis:
8Als een bloeiende twijg in zomerdagen, Als een lelie bij de waterbeken. Als het gewas van de Libanon in de tijd van de oogst,
9quasi ignis effulgens, et thus ardens in igne:
9Als brandende wierook op de offerpan; Als gouden vaatwerk, van gedegen goud, Met kostbare stenen bezet.
10quasi vas auri solidum, ornatum omni lapide pretioso:
10Als een groene olijf, beladen met vruchten, Als een wilde olijf, met welige takken:
11quasi oliva pullulans, et cypressus in altitudinem se extollens, in accipiendo ipsum stolam gloriæ, et vestiri eum in consummationem virtutis.
11Wanneer hij zich met het heerlijk gewaad had omhangen, En in zijn volle pracht was gekleed. Wanneer hij het grote altaar besteeg, Sierde hij de heilige omloop er van;
12In ascensu altaris sancti gloriam dedit sanctitatis amictum.
12Dan nam hij de offers uit de hand van zijn broeders, Terwijl hij op de offerhaard stond. Een krans van zonen stond om hem heen, Als jonge ceders op de Libanon: Zij omringden hem als wilgen rond het water,
13In accipiendo autem partes de manu sacerdotum, et ipse stans juxta aram: et circa illum corona fratrum: quasi plantatio cedri in monte Libano,
13Al de zonen van Aäron in hun plechtig gewaad. Zij hielden Jahweh's offers in hun handen, Voor heel de gemeente van Israël;
14sic circa illum steterunt quasi rami palmæ: et omnes filii Aaron in gloria sua.
14Totdat hij de dienst aan het altaar had voleind, En het offer aan den Allerhoogste gebracht.
15Oblatio autem Domini in manibus ipsorum coram omni synagoga Israël: et consummatione fungens in ara, amplificare oblationem excelsi Regis,
15Dan strekte hij de hand naar het plengoffer uit, En plengde het bloed van de druif; Hij goot het uit aan de voet van het altaar, Als een welriekende geur voor den Allerhoogste.
16porrexit manum suam in libatione, et libavit de sanguine uvæ.
16Dan staken de zonen van Aäron, de priesters, De geslagen trompetten van koper; Zij bliezen en schalden met machtig geluid, Tot herinnering voor den Allerhoogste.
17Effudit in fundamento altaris odorem divinum excelso Principi.
17Dan viel ijlings al het volk gezamenlijk neer Met het aangezicht op de grond, Om aan den Allerhoogste aanbidding te brengen, Aan den Heilige van Israël.
18Tunc exclamaverunt filii Aaron, in tubis productilibus sonuerunt: et auditam fecerunt vocem magnam in memoriam coram Deo.
18Dan liet het koor zijn stem weerklinken, En boven de menigte zijn zangen weerschallen;
19Tunc omnis populus simul properaverunt, et ceciderunt in faciem super terram, adorare Dominum Deum suum, et dare preces omnipotenti Deo excelso.
19En al het volk juichte mee, Biddend voor het aanschijn van den Barmhartige. Wanneer hij dan de dienst aan het altaar had voleind, En aan God had gebracht, wat Hem toekomt,
20Et amplificaverunt psallentes in vocibus suis, et in magna domo auctus est sonus suavitatis plenus.
20Dan daalde hij af, en strekte zijn handen Over heel de gemeente van Israël uit. Dan was de zegen van Jahweh op zijn lippen, En tooide hij zich met Jahweh's Naam;
21Et rogavit populus Dominum excelsum in prece, usque dum perfectus est honor Domini, et munus suum perfecerunt.
21En wederom vielen allen neder, Om de zegen van hem te ontvangen.
22Tunc descendens, manus suas extulit in omne congregationem filiorum Israël, dare gloriam Deo a labiis suis, et in nomine ipsius gloriari:
22Zegent dan Jahweh, Israëls God, Die wonderen wrocht op de aarde; Die den mens doet opgroeien van de moederschoot af, En met hem doet naar zijn welbehagen.
23et iteravit orationem suam, volens ostendere virtutem Dei.
23Hij geve u wijsheid des harten En vrede zij in uw dagen!
24Et nunc orate Deum omnium, qui magna fecit in omni terra, qui auxit dies nostros a ventre matris nostræ, et fecit nobiscum secundum suam misericordiam:
24Zijn liefde blijve aan Sjimon behouden; Hij bevestige voor hem het verbond met Pinechas, Dat Hij sloot met hem en zijn geslacht, Zolang de hemel bestaat.
25det nobis jucunditatem cordis, et fieri pacem in diebus nostris in Israël per dies sempiternos:
25Maar twee volkeren worden door mij gehaat, En het derde volk telt niet mee:
26credere Israël nobiscum esse Dei misericordiam, ut liberet nos in diebus suis.]
26De bewoners van Seïr en de Filistijnen, En het dwaze volk, dat in Sikem woont.
27[Duas gentes odit anima mea: tertia autem non est gens quam oderim:
27Onderricht, wijsheid en passende spreuken, Van Jesus, den zoon van Elazar, zoon van Sirach: Die uit zijn hart uitleg deed stromen En inzicht liet ontspringen als een bron.
28qui sedent in monte Seir, et Philisthiim, et stultus populus qui habitat in Sichimis.]
28Gelukkig de man, die ze overdenkt; Want wie ze ter harte neemt, wordt wijs.
29[Doctrinam sapientiæ et disciplinæ scripsit in codice isto Jesus, filius Sirach, Jerosolymita, qui renovavit sapientiam de corde suo.
29Wie ze volbrengt, is tot alles bekwaam; Want de vreze des Heren is zijn richtsnoer.
30Beatus qui in istis versatur bonis: qui ponit illa in corde suo, sapiens erit semper.
no verse 30 in this text
31Si enim hæc fecerit, ad omnia valebit, quia lux Dei vestigium ejus est.]
no verse 31 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.