Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Let us now praise men of renown, and our fathers in their generation.
1Nu wil ik de vrome mannen prijzen, Onze vaderen, naar hun geslachten,
2The Lord hath wrought great glory through his magnificence from the beginning.
2Aan wie de Allerhoogste veel glorie gaf, Die groot waren in vroegere tijden:
3Such as have borne rule in their dominions, men of great power, and endued with their wisdom, shewing forth in the prophets the dignity of prophets,
3Heersers van landen door hun koningschap, Mannen van naam door hun kracht; Raadsheren door hun schranderheid, Profeten door hun voorzeggingen.
4And ruling over the present people, and by the strength of wisdom instructing the people in most holy words.
4Leiders van volkeren door hun plannen, Vorsten door hun scherpzinnigheid; Wijze denkers door hun geleerdheid, Bestuurders door hun waakzaamheid.
5Such as by their skill sought out musical tunes, and published canticles of the scriptures.
5Zangers van psalmen op maat, Dichters van spreuken op schrift;
6Rich men in virtue, studying beautifulness: living at peace in their houses.
6Mannen van rijkdom, steunend op hun kracht, Vreedzaam wonend in hun oord.
7All these have gained glory in their generations, and were praised in their days.
7Zij allen stonden bij hun tijdgenoten in ere, En waren in hun dagen beroemd;
8They that were born of them have left a name behind them, that their praises might be related:
8Sommigen van hen verwierven een naam, Zodat men van hen met lof bleef gewagen.
9And there are some, of whom there is no memorial: who are perished, as if they had never been: and are become as if they had never been born, and their children with them.
9Toch waren er anderen, die men niet meer gedacht; Zodra ze vergingen, was het uit. Ze zijn, als waren ze er nimmer geweest, En hun kinderen eveneens.
10But these were men of mercy, whose godly deeds have not failed:
10Maar de eersten waren vrome mannen, Wier hoop niet is vervlogen;
11Good things continue with their seed,
11Hun geluk houdt stand bij hun geslacht, Hun erfdeel blijft bij hun kinderen.
12Their posterity are a holy inheritance, and their seed hath stood in the covenants.
12Hun kroost houdt vast aan Gods verbond, Hun kinderen, om hunnentwil;
13And their children for their sakes remain for ever: their seed and their glory shall not be forsaken.
13Hun aandenken blijft voor immer, Hun gerechtigheid wordt niet vergeten.
14Their bodies are buried in peace, and their name liveth unto generation and generation.
14In vrede werd hun lichaam begraven, Maar hun naam leeft voort van geslacht tot geslacht;
15Let the people shew forth their wisdom, and the church declare their praise.
15Van hun wijsheid blijft de gemeente gewagen, En de vergadering verkondigt hun lof.
16Henoch pleased God, and was translated into paradise, that he may give repentance to the nations.
16Henok verkeerde met Jahweh en werd opgenomen: Een toonbeeld van wijsheid voor alle geslachten.
17Noe was found perfect, just, and in the time of wrath he was made a reconciliation.
17Noë werd rechtschapen en onberispelijk bevonden; In de tijd der verdelging werd hij een nieuwe stam. Om zijnentwil bleef er een rest behouden, Om het verbond met hem hield de zondvloed op;
18Therefore was there a remnant left to the earth, when the flood came.
18Een eeuwig verbond werd er met hem gesloten, Dat nooit meer alle vlees zou worden verdelgd.
19The covenants of the world were made with him, that all flesh should no more be destroyed with the flood.
19Abraham werd de vader van vele volken; Er kleefde geen smet op zijn eer.
20Abraham was the great father of a multitude of nations, and there was not found the like to him in glory, who kept the law of the most High, and was in covenant with him.
20Want hij volbracht de bevelen van den Allerhoogste, En sloot met Hem een verbond; Hij sneed zich het verbond in zijn vlees, En werd trouw bevonden in de beproeving.
21In his flesh he established the covenant, and in temptation he was found faithful.
21Daarom beloofde Hij hem onder ede: De volkeren te zegenen in zijn zaad, Hem talrijk te maken als het zand op de aarde, Als de sterren zijn zaad te verheffen, Een bezit hun te geven van zee tot zee, Van de Eufraat tot aan de grenzen der aarde.
22Therefore by an oath he gave him glory in his posterity, that he should increase as the dust of the earth,
22Ook aan Isaäk beloofde Hij hetzelfde, Om wille van Abraham, zijn vader.
23And that he would exalt his seed as the stars, and they should inherit from sea to sea, and from the river to the ends of the earth.
23Daarna schonk Hij aan Israël het verbond der vaderen, En de zegen rustte op zijn hoofd. Want hèm stelde Hij in het eerstgeboorterecht, Aan hèm gaf Hij zijn erfbezit, Dat Hij had vastgesteld voor de stammen, Als een erfdeel voor de twaalf.
24And he did in like manner with Isaac for the sake of Abraham his father.
no verse 24 in this text
25The Lord gave him the blessing of all nations, and confirmed his covenant upon the head of Jacob.
no verse 25 in this text
26He acknowledged him in his blessings, and gave him an inheritance, and divided him his portion in twelve tribes.
no verse 26 in this text
27And he preserved for him men of mercy, that found grace in the eyes of all flesh.
no verse 27 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.