Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Rejoice not in ungodly children, if they be multiplied: neither be delighted in them, if the fear of God be not with them.
1Verblijd u niet om de schoonheid van knapen, die niet deugen, En verheug u niet over goddeloze kinderen;
2Trust not to their life, and respect not their labours.
2Al gedijen ze ook, schep er geen vreugde in, Als zij de vreze des Heren niet hebben.
3For better is one that feareth God, than a thousand ungodly children.
3Heb geen verwachtingen van hun leven, En stel geen vertrouwen in hun toekomst; Want één, die Gods wil doet, is meer waard dan duizend, Beter kinderloos sterven, dan veel slechte kinderen.
4And it is better to die without children, than to leave ungodly children.
4Door één godvrezende blijft een stad bewoond; Maar door een geslacht van zondaars gaat ze te gronde.
5By one that is wise a country shall be inhabited, the tribe of the ungodly shall become desolate.
5Meer dergelijke dingen hebben mijn ogen gezien, Nog sterker gevallen vernamen mijn oren:
6Many such things hath my eyes seen, and greater things than these my ear hath heard.
6In de bende der bozen ontvlamde het vuur. In het goddeloze volk ontbrandde de toorn;
7In the congregation of sinners a fire shall be kindled, and in an unbelieving nation wrath shall dame out.
7Hij schonk geen vergiffenis aan de reuzen der oudheid, Die de wereld beroerden door hun kracht.
8The ancient giants did not obtain pardon for their sins, who were destroyed trusting to their own strength:
8De medeburgers van Lot heeft Hij niet gespaard, Toen zij Hem tartten door hun overmoed;
9And he spared not the place where Lot sojourned, but abhorred them for the pride of their word.
9Evenmin de volkeren, door de banvloek getroffen, Maar om hun zonden dreef Hij ze weg.
10He had not pity on them, destroying the whole nation that extolled themselves in their sins.
10Zo ook de zeshonderdduizend man voetvolk, Die werden verdelgd om de verstoktheid huns harten.
11So did he with the six hundred thousand footmen, who were gathered together in the hardness of their heart: and if one had been stiffnecked, it is a wonder if he had escaped unpunished:
11Ja, al bleef er maar één hardnekkig, Wonder, als hij niet zou worden gestraft. Want bij Hem is erbarming, maar ook gramschap; Hij spaart en vergeeft, maar stort op de bozen zijn toorn.
12For mercy and wrath are with him. He is mighty to forgive, and to pour out indignation:
12Zo groot zijn ontferming, zo groot ook zijn straffen; Hij oordeelt eenieder volgens zijn werken.
13According as his mercy is, so his correction judgeth a man according to his works.
13De boze zal met zijn bezit niet ontkomen; Maar de hoop van de goeden zal Hij nimmer beschamen.
14The sinner shall not escape in his rapines, and the patience of him that sheweth mercy shall not be put off.
14Ieder, die gerechtigheid doet, zal worden beloond; Iedere mens ontvangt van Hem naar zijn werken.
15All mercy shall make a place for every man according to the merit of his works, and according to the wisdom of his sojournment.
no verse 15 in this text
16Say not: I shall be hidden from God. and who shall remember me from on high?
no verse 16 in this text
17In such a multitude I shall not be known: for what is my soul in such an immense creation?
17Denk niet: Ik ben voor God verborgen; Wie in den hoge denkt er aan mij? Onder zo'n grote massa word ik niet bemerkt; Wat ben ik onder zo vele mensen?
18Behold the heaven, and the heavens of heavens, the deep, and all the earth, and the things that are in them, shall be moved in his sight,
18Zie, hemel en hemel der hemelen, afgrond en aarde, Zij beven, als Hij er op neerziet;
19The mountains also, and the hills, and the foundations of the earth: when God shall look upon them, they shall be shaken with trembling.
19De grondslagen der bergen, de fundamenten der aarde, Zij sidderen, als Hij ze beschouwt.
20And in all these things the heart is senseless: and every heart is understood by him:
20En toch schenkt Hij geen aandacht aan mij; Wie zou er letten op mijn wegen?
21And his ways who shall understand, and the storm, which no eye of man see?
21Als ik zondig, geen oog dat het ziet; Als ik lieg in het diepste geheim, wie weet het?
22For many of his works are hidden: hut the works of his justice who shall declare? or who shall endure? for the testament is far from some, and the examination of all is in the end.
22Een goede daad, wie maakt ze bekend; Wat heb ik te hopen, al doe ik mijn plicht?
23He that wanteth understanding thinketh vain things: and the foolish, and erring man, thinketh foolish things.
23Stompzinnigen zijn het, die zo denken; Alleen een dwaas kan zo spreken!
24Hearken to me, my son, and learn the discipline of understanding, and attend to my words in thy heart.
24Luistert naar mij en verneemt mijn wijsheid, Schenkt aandacht aan mijn woorden;
25And I will shew forth good doctrine in equity, and will seek to declare wisdom: and attend to my words in thy heart, whilst with equity of spirit I tell thee the virtues that God hath put upon his works from the beginning, and I shew forth in truth his knowledge.
25Na diep gepeins zal ik mijn geest laten sprankelen, Met bescheidenheid mijn kennis verkonden.
26The works of God are done in judgment from the beginning, and from the making of them he distinguished their parts, and their beginnings in their generations.
26Toen God in den beginne zijn werken schiep, En volgens hun taak hun een plaats bereidde,
27He beautified their works for ever, they have neither hungered, nor laboured, and they have not ceased from their works.
27Heeft Hij voor immer hun werk geordend, Voor altijd hun gebied vastgesteld. Ze worden niet hongerig en lijden geen dorst, En houden niet op met hun werk;
28Nor shall any of them straiten his neighbour at any time.
28Er is er niet één, die den ander verdringt,
29Be not thou incredulous to his word.
29Nooit zijn ze aan zijn woord ongehoorzaam.
30After this God looked upon the earth, and filled it with his goods.
30Toen blikte de Heer op de aarde neder, En vervulde haar met zijn gaven;
31The soul of every living thing hath shewn forth before the face thereof, and into it they return again.
31Hij heeft haar met allerlei levende wezens bedekt, Die eens tot haar zullen terugkeren.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.