Êxodo 2
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Um homem da casa de Levi foi e tomou por mulher uma filha de Levi.
1Nu was er een man uit de stam van Levi, die een levietisch meisje tot vrouw had genomen.
2A mulher concebeu e deu à luz um filho. Quando viu que era um menino formoso, ela o escondeu por três meses.
2De vrouw werd zwanger, en baarde een zoon; en daar ze zag, dat het een flinke jongen was, hield ze hem drie maanden lang verborgen.
3Quando já não podia mais escondê-lo, pegou para ele um cesto de papiro e o revestiu com betume e piche. Colocou o menino dentro dele e o deixou entre os juncos à margem do rio.
3Maar toen ze hem niet langer kon verbergen, haalde ze voor hem een biezen mandje, bestreek dat met asfalt en pek, legde het knaapje daarin, en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl,
4A irmã do menino ficou de longe, para ver o que lhe aconteceria.
4terwijl zijn zuster op enige afstand bleef staan, om te weten, wat er met hem zou gebeuren.
5A filha do faraó desceu para se banhar no rio. Suas servas andavam pela margem do rio. Ela viu o cesto entre os juncos e mandou sua serva buscá-lo.
5Toen nu de dochter van Farao de Nijl inging om te baden, terwijl haar slavinnen langs de oever van de Nijl op en neer wandelden, zag zij het mandje tussen het riet, en liet het door haar dienstmeisje halen.
6Ela o abriu e viu o menino, e eis que o bebê chorava. Ela teve compaixão dele e disse: “Este é um dos filhos dos hebreus.”
6Zij maakte het open en zag, dat er een jongetje in lag te schreien. Zij had er medelijden mee, en sprak: Dat is zeker een van de hebreeuwse jongetjes.
7Então a irmã dele disse à filha do faraó: “Devo ir e chamar uma ama dentre as mulheres hebreias, para que amamente o menino para você?”
7Nu zeide zijn zuster tot de dochter van Farao: Wil ik misschien bij de hebreeuwse vrouwen een min voor u roepen, om het knaapje voor u te voeden?
8A filha do faraó lhe disse: “Vá.” A jovem foi e chamou a mãe do menino.
8De dochter van Farao antwoordde: Doe dat! Het meisje ging toen de eigen moeder van het kind roepen,
9A filha do faraó lhe disse: “Leve este menino e amamente-o para mim, e eu lhe darei o seu salário.” A mulher pegou o menino e o amamentou.
9en de dochter van Farao zeide haar: Neem dit kind mee, en voed het voor mij; ik zal u er voor betalen. De vrouw nam dus het kind mee, en voedde het.
10O menino cresceu, e ela o levou à filha do faraó, e ele se tornou seu filho. Ela o chamou de Moisés, e disse: “Porque eu o tirei da água.”
10Toen de jongen groot genoeg was, bracht ze hem naar de dochter van Farao, die hem als haar zoon behandelde. Zij noemde hem Moses; want, zeide ze, ik heb hem uit het water gehaald.
11Naqueles dias, quando Moisés já tinha crescido, ele saiu até os seus irmãos e viu as suas cargas. Ele viu um egípcio espancando um hebreu, um de seus irmãos.
11Toen Moses groot was geworden, ging hij eens naar zijn broeders. Terwijl hij daar naar hun dwangarbeid stond te kijken, zag hij, hoe een Egyptenaar een Hebreër, een van zijn broeders, neersloeg.
12Ele olhou para um lado e para o outro e, vendo que não havia ninguém, matou o egípcio e o escondeu na areia.
12Hij keek naar alle kanten uit, en toen hij niemand zag, sloeg hij den Egyptenaar dood en verborg hem in het zand.
13Ele saiu no dia seguinte, e eis que dois homens hebreus estavam brigando um com o outro. Ele disse ao que estava errado: “Por que você está espancando o seu companheiro?”
13Daags daarop ging hij weer, en zag twee Hebreën met elkander vechten. Hij zei nu tot hem, die ongelijk had: Waarom slaat gij uw makker?
14Ele respondeu: “Quem o constituiu príncipe e juiz sobre nós? Você planeja me matar, assim como matou o egípcio?” Moisés teve medo e disse: “Certamente este assunto já é conhecido.”
14Hij antwoordde: Wie heeft u tot heer en rechter over ons aangesteld? Zijt gij soms van plan ook mij te vermoorden, zoals gij dien Egyptenaar hebt gedood? Nu werd Moses bang, want hij dacht: Het is dan toch bekend geworden.
15Quando o faraó ouviu falar disso, procurou matar Moisés. Mas Moisés fugiu da presença do faraó e foi morar na terra de Midiã; e sentou-se junto a um poço.
15Toen dan ook Farao er van hoorde, wilde hij Moses ter dood laten brengen. Maar Moses vluchtte voor Farao, en zocht een schuilplaats in het land Midjan. Terwijl hij daar neerzat bij een put,
16Ora, o sacerdote de Midiã tinha sete filhas. Elas vieram, tiraram água e encheram os bebedouros para dar de beber ao rebanho de seu pai.
16kwamen de zeven dochters van den priester van Midjan om water te scheppen en de drinkbakken te vullen voor de kudde van haar vader.
17Os pastores vieram e as expulsaram; mas Moisés se levantou, as ajudou e deu de beber ao rebanho delas.
17Maar daar de herders haar kwamen verjagen, sprong Moses haar te hulp, en gaf haar kudde te drinken.
18Quando elas voltaram para Reuel, seu pai, ele perguntou: “Como é que vocês voltaram tão cedo hoje?”
18Toen ze bij haar vader Reoeël kwamen, vroeg hij: Waarom zijt ge vandaag zo vroeg terug?
19Elas responderam: “Um egípcio nos livrou da mão dos pastores e, além disso, tirou água para nós e deu de beber ao rebanho.”
19Zij antwoordden: Een Egyptenaar heeft ons van de herders bevrijd, ook water voor ons geput, en de kudde laten drinken.
20Ele disse às suas filhas: “Onde ele está? Por que vocês deixaram o homem lá? Chamem-no para que venha comer pão.”
20Toen zei hij tot zijn dochters: Waar is hij? Waarom hebt gij dien man daar laten staan? Nodigt hem uit, om mee te eten.
21Moisés aceitou morar com aquele homem. Ele deu a Moisés sua filha Zípora.
21Zo besloot Moses bij dien man te blijven; en deze gaf Moses zijn dochter Sippora tot vrouw.
22Ela deu à luz um filho, e ele o chamou de Gérson, pois disse: “Tenho vivido como estrangeiro em terra estrangeira.”
22Zij baarde een zoon, dien hij Gersjom noemde; want hij zeide: Ik toef als gast in een vreemd land.
23No decorrer daqueles muitos dias, o rei do Egito morreu, e os filhos de Israel suspiravam por causa da escravidão, e clamaram, e o seu clamor subiu a Deus por causa da escravidão.
23In die lange tussentijd was de koning van Egypte wel gestorven, maar de Israëlieten zuchtten en klaagden nog steeds onder de zware arbeid, en hun geschrei om verlossing uit de slavernij steeg omhoog tot God.
24Deus ouviu o gemido deles, e Deus se lembrou da sua aliança com Abraão, com Isaque e com Jacó.
24God hoorde hun kermen en was zijn Verbond met Abraham, Isaäk en Jakob indachtig.
25Deus viu os filhos de Israel, e Deus compreendeu.
25God zag neer op Israëls kinderen en bekommerde Zich om hun lot.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.