Joel
Chapter 1

Joel

Baibal Olcim (Matupi Chin)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Baibal Olcim (Matupi Chin)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1BOEIPA ol tah Pethuel capa Joel taengah pai.
1Het woord van Jahweh, dat Joël ontving, de zoon van Petoeël.
2He he patong rhoek loh ya uh lamtah khohmuen khosa boeih loh hnatun uh. He he nangmih tue neh na pa rhoek tue ah khaw om noek nim?
2Hoort dit, gij oudsten; Luistert allen, bewoners van het land! Is er ooit zo iets in uw dagen geschied, Of in de dagen van uw vaderen?
3Te te na ca rhoek ham neh na ca rhoek kah a ca rhoek ham khaw, a ca rhoek kah cadilcahma patoeng ham khaw daek pah.
3Verhaalt het aan uw kinderen, zij aan hun zonen, Hun zonen weer aan een volgend geslacht!
4Lungmul cakcoih te kaisih loh a caak, kaisih cakcoih te lungang loh a caak, lungang cakcoih te phol loh a caak.
4Wat de knaagbek overliet, Heeft de sprinkhaan verslonden; Wat de sprinkhaan spaarde, Schrokte de langpoot op; Wat de langpoot liet staan, Vrat de kaalvreter af.
5Yurhui rhoek haenghang uh lamtah rhap uh laeh. Thingtui loh na dang te a koek ham coeng dongah misurtui aka o boeih loh rhung uh laeh.
5Op dronkaards, uit uw slaap, en weent; Jammert allen, gij slempers: Om de most, Die uw mond voorbijgaat!
6Namtom loh ka pilnu khohmuen ah pongpa tih hlangmi na moenih. A no khaw sathueng no coeng tih sathuengnu kah pumcu khaw a khueh.
6Want een volk heeft mijn land overrompeld, Geweldig, ontelbaar! Zijn tanden zijn als die van een leeuw, Zijn kaken als van een leeuwin.
7Ka misur khaw loto la a khueh tih ka thaibu he vahhu la tlaai rhoe tlaai coeng. A baek te bokphae la a voeih.
7Het heeft mijn wijnstok verwoest, Mijn vijgeboom geknakt; Het heeft ze ontveld en vernield: Wit zijn hun takken.
8A va camoe ham tlamhni aka bai oila bangla rhaloei laeh.
8Jammert als een maagd in haar rouw Om de bruidegom van haar jeugd!
9BOEIPA im lamkah khocang neh tuisi khaw pat tih BOEIPA bibi khosoih rhoek te kohuet coeng.
9Spijs- en drankoffer is heen Uit Jahweh’s huis; In rouw zijn de priesters, De dienaars van Jahweh.
10Khohmuen a rhoelrhak tih diklai nguekcoi coeng. Cangpai a rhoelrhak pah tih misur thai khaw kak. Situi khaw ha.
10Het land is ontredderd, Het veld ligt in rouw; Want vernield is het koren, De most mislukt, de olie verdroogd.
11Lopho rhoek yak uh lamtah dumpho rhoek te rhung uh laeh. Cang ham neh cangtun ham khaw lohma cangah paltham coeng.
11Onthutst staat de landman, de wijnboeren klagen: Over tarwe en gerst; want de oogst ging verloren.
12Misur neh thaibu te rhae coeng. Tale, rhophoe neh thaihthawn khaw huum tih khohmuen thingkung boeih koh. Hlang ca rhoek lamkah omngaihnah khaw daeh coeng.
12De wijnstok verdort, De vijgeboom kwijnt; Granaat en palm en appel, Alle bomen op het veld drogen uit. Ja, beschaamd vlucht de vreugde Van de mensenkinderen heen!
13Khosoih rhoek aw yen uh lamtah rhaengsae uh. Hmueihtuk kah aka thotat rhoek rhung uh laeh. Ka Pathen kah tueihyoeih rhoek kun uh lamtah tlamhni neh rhaeh uh. Na Pathen im lamkah khocang neh tuisi khaw a hloh coeng.
13Priesters, omgordt u met rouw, Jammert, die het altaar bedient; Gaat slapen in zakken, Gij, dienaars van mijn God; Want uit het huis van uw God Zijn spijs- en drankoffer heen!
14Yaehnah te ciim uh lamtah pahong khaw hoe uh laeh. Patong rhoek, khohmuen khosa boeih te na Pathen BOEIPA im ah tingtun uh lamtah BOEIPA taengah pang uh.
14Schrijft een vastendag uit, Roept de menigte samen; Vergadert de oudsten, Alle inwoners van het land In het huis van Jahweh, uw God, En roept Jahweh aan!
15Ya-oe khohnin aih! BOEIPA kah khohnin yoei coeng tih tlungthang lamloh rhoelrhanah la pai ni.
15Wee, wat een dag; Want nabij is de Dag van Jahweh! Als een orkaan rukt hij van den Almachtige uit!
16Buh he mamih mikhmuh kah moenih a? Mamih Pathen im lamloh kohoenah neh omngaihnah khaw pat coeng.
16Is voor ons oog de spijs niet verdwenen, Uit het huis van onzen God De blijdschap en jubel niet heen?
17A tii a muu te a laitling hmuiah ut coeng. Thakvoh khaw pong coeng. Cangpai te pok tih khai koengloeng uh coeng.
17De graanbakken rotten weg onder hun vuil, De zolders staan leeg, de schuren vervallen, Want het graan is mislukt.
18Rhamsa loh luemnah tal tih mat huei uh. Saelhung tuping rhoek a lukil uh. Amih kongah boiva tuping khaw boe coeng.
18Hoe loeit het vee, en is de kudde onrustig; Ze hebben geen wei, Zelfs de schapen lijden gebrek.
19Khosoek kah toitlim te hmai loh a hlawp tih khohmuen thingkung boeih hmaisai loh a hlawp dongah BOEIPA nang taengah ka puen.
19Tot U, Jahweh, verhef ik mijn stem! Want het vuur heeft de vruchtbare plekken verzengd, De brand alle bomen op het veld verschroeid.
20Kohong rhamsa pataeng sokca tui boeih kak tih khosoek kah a toitlim hmai loh a hlawp pah dongah nang te m'phoe coeng.
20Zelfs de wilde dieren blikken smachtend naar U op; Want de waterbeken zijn uitgedroogd, En het vuur heeft de vruchtbare plekken geblakerd.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.