Приповісток 6
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Мій сину! коли ти за ближнього твого поручився й дав руку твою за другого, —
1Mijn zoon, als ge voor een ander borg zijt gebleven, Uw handslag hebt gegeven ten bate van een vreemde,
2То ти звязав себе словами з власних уст твоїх, обіцянкою сам собі сїло накинув.
2Verstrikt zijt geraakt in uw eigen woorden, In uw eigen beloften gevangen:
3Вчини ж, мій сину, ось що, щоб звільнити себе, — бо ти попався в руки ближньому твому: йди, впади йому, твойму ближньому, в ноги;
3Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg, en red u eruit; Want ge zijt in de macht van uw naaste! Ga heen zonder talmen, Dring aan bij uw naaste;
4Не дай твоїм очам нї сну, анї задрімати — війкам твоїм;
4Gun uw ogen geen rust, Uw wimpers geen slaap;
5Рятуй себе, як серна, з руки, як пташка з рук птахоловця.
5Ruk u los als een gazelle uit de strik, Als een vogel uit de hand van den vogelaar.
6Йди, лїнивий, до мурашки, приглянься її дїланню, й навчись розуму.
6Luiaard, ga kijken naar de mier; Zie, hoe ze zwoegt, en word wijs!
7Нема отамана у неї, нї наставника, нї зверхника;
7Al heeft ze geen leider, Geen opzichter, geen heerser,
8А лїтом готує вона хлїб собі, збірає в жнива корм свій.
8Toch zorgt ze in de zomer voor haar spijs, Zoekt ze in de oogsttijd haar voedsel bijeen.
9Докіль спати меш, лїнивче? коли ти встанеш зо сну твого?
9Luiaard, hoe lang blijft ge liggen, Wanneer zult ge ontwaken uit uw slaap?
10Не довго поспиш, не довго дрімати меш, не довго полежиш, згорнувши руки;
10Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar:
11А прийде, як волоцюга, біднота на тебе, й недоля твоя, мов той сїпака.
11En de armoe overvalt u als een zwerver, Het gebrek als een rover!
12Чоловік лукавий, чоловік безбожний ходить із льживими устами;
12Een nietsnut is het, een booswicht, Die omgaat met bedrieglijke taal;
13Моргає він очима, потирає ногами, дає знаки палцями своїми;
13Die met de ogen knipt, met de voeten wenkt, En tekens geeft met de vingers;
14У серцї ж у його омана; він придумує лихо по всяк час, розсїває незгоду.
14Die boze plannen smeedt in zijn hart, Steeds kwaad beraamt en ruzie zoekt!
15За се нагло прийде погибель на него, буде, як стій, розбитий — без рятунку.
15Daarom zal hem de tegenspoed plotseling treffen, Zal hij met één slag bezwijken, zonder kans op herstel.
16От шестеро речей, ненавидних у Бога, ба семеро, гидких душі його:
16Zes dingen zijn er die Jahweh haat, Van zeven heeft hij een afschuw:
17Се очі горді, язик, що лжу сплїтає, руки, що кров безвинну проливають,
17Van brutale ogen; van een valse tong; Van handen, die onschuldig bloed vergieten;
18Серце, що кує лихі задуми, ноги, що біжять сквапно до злого,
18Van een hart, dat boze plannen beraamt; Van voeten, die ten kwade spoeden;
19Се сьвідок, що ясить-видумує неправду, та незгоду між братями розсїває.
19Van een valsen getuige, die leugens verspreidt; Van iemand, die broedertwist stookt.
20Храни, мій сину, що твій батько заповідає, й материної науки не цурайся;
20Mijn zoon, onderhoud het gebod van uw vader, Sla niet in de wind wat uw moeder u leerde;
21На серцї їх собі по всї часи навяжи, повісь собі їх на шиї.
21Prent het voor altijd in uw hart, Wind het als een snoer om uw hals.
22Як ходиш ти, нехай дорогу тобі вказують; як ти лежиш і спиш, нехай тебе чатують:
22Als ge wandelt, moge het u geleiden, Over u waken, als ge slaapt, Tot u spreken, wanneer ge ontwaakt.
23Бо заповідь — се твій сьвітильник, навчаннє — се сьвітло, дорога ж до жизнї — се докір і наука;
23Want het gebod is een lamp, Het onderricht een licht, De straffe tucht een weg ten leven.
24Щоб остерігати тебе од ледачої женщини, від підлестного язика чужої.
24Het zal u behoeden voor de vrouw van een ander, Voor de gladde tong van een vreemde.
25Не пожадай вроди її в серцї твойму, й не давай себе принадити морганнєм її;
25Zet uw hart niet op haar schoonheid, Laat ze u niet met haar wimpers verleiden;
26Бо задля блудницї убожіють до кусня хлїба, а мужняя жена вловляє дорогу душу.
26Want de prijs van een deerne is een stuk brood, Maar de getrouwde vrouw maakt jacht op een kostelijk leven
27Чи жару ж набереш у пазуху, й не прогорить платтє твоє?
27Kan iemand soms vuur in zijn voorschoot nemen, Zonder dat hij zijn kleren schroeit;
28Чи пійдеш по жару, не спікши ніг собі?
28Of kan hij op gloeiende kolen lopen, Zonder dat hij zijn voeten brandt?
29Таке жде кожного, хто входить до жінки ближнього свого: хто дотикнеться її, не буде без вини.
29Zo vergaat het hem, die zich afgeeft met de vrouw van een ander: Niemand die haar aanraakt, komt er straffeloos van af.
30Про злодїя нїхто байдужен не буває, хоч би він крав голодний, щоб попоїсти;
30Men veracht geen dief, zo hij enkel steelt, Om zijn maag te vullen, als hij honger heeft;
31А вже як спіймається, то заплатить у семеро все; що має він в домівцї, все втеряє.
31Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden, Alles geven wat hij in huis heeft.
32Хто ж перелюбствує з жінкою чужою, ума в його нема; той губить душу свою, хто се чинить.
32Kortzichtig de man, die overspel pleegt met een vrouw: Wie zijn eigen ondergang wil, moet zo iets niet doen;
33Побоїв і сорому набереться він, і безчесть його не зотреся.
33Schade en schande zal zo iemand belopen, Zijn slechte naam raakt hij nimmer meer kwijt.
34Бо ревнованнє й лютість мужа не пощадить в день пімсти;
34Want de jaloezie van den man wekt de woede bij hem op, En op de dag van de wraak zal hij niemand ontzien;
35Не прийме він нїякого викупу й не вдовольниться, хоч би ти й як багато давав дарів.
35Dan slaat hij op losgeld geen acht, Hij wil het niet, al biedt ge hem nog zo veel!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.