Приповісток 27
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Не хвались завтрішним днем, не знаєш бо, що той день уродить.
1Wil de dag van morgen niet prijzen: Ge weet niet, wat hij u brengt.
2Нехай вихвалює тебе хто другий, а не твої уста, — чужий, а не твій язик.
2Laat een ander u prijzen, niet uw eigen mond; Een vreemde, niet uw eigen lippen.
3Важке каміннє, а пісок так само, та гнїв дурного обоє переважить.
3Plomp is een steen, en zwaar het zand; Zwaarder dan beide is het humeur van een dwaas.
4Жорстокий гнїв, палка і лютість, та проти ревностї хто встояти зможе?
4Wreed is de wraak, een stortvloed de toorn; Maar wie houdt het uit voor de jaloezie?
5Докір явний багато лїпший, анїж укрита любов.
5Beter een terechtwijzing in het openbaar, Dan liefde, die zich niet uit.
6Лїпші щирі догани від люблячого, анїж зрадливі поцїлуї від того, що ненавидить.
6Goed bedoeld zijn de wonden, door een vriend geslagen; Verraderlijk de kussen van een vijand.
7Хто ситий, наступить і на крижку з медом, а голодній душі й гірке — солодке.
7Iemand die genoeg heeft, geeft niet om honing; Als iemand honger heeft, is al het bittere zoet.
8Як пташка, що гнїздо покине, так само й чоловік, що місце своє покинув.
8Als een vogel, die uit het nest fladdert, Zo is een man, die rondzwerft ver van zijn huis.
9Мастї й пахощі радують серце: такий же й друг солодкий, що з серця раду удїляє.
9Olie en wierook verheugen het hart; De raad van een vriend verblijdt de ziel.
10Не покидай свого, нї батькового друга, і в братів дом не йди в лиху твою годину: Лїпший сусїд близький, анїж брат далеко.
10Laat uw eigen vriend en dien van uw vader niet in de steek; Maar betreed niet het huis van uw broeder, als het u slecht gaat, Beter een vriend dichtbij. Dan een broer veraf.
11Розумен будь, сину, втїшай моє серце, щоб знав я, що менї злоріцї відказати.
11Mijn zoon, wees wijs, en verblijd mijn hart; Dan kan ik te woord staan hem, die mij hoont.
12Розважливий бачить лихо й ховається, а недосьвідні простаки гонять вперед, і в біду попадають.
12De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
13Бери з нього платтє, він бо за чужого ручався, й за стороннього бери застав у нього!
13Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis pand van hem terwille van een vreemde vrouw.
14Хто з ранку раннього товариша, знай, хвалить, про того думають, що се його він судить.
14Als iemand zijn naaste op de vroege morgen luidruchtig begroet, Dan wordt het als een vloek beschouwd
15Безнастанне капаннє з криші у негоду, а жінка сварлива — вони одно;
15Een gestadig druppelend lek op een stortregen-dag, En een snibbige vrouw, ze gelijken op elkaar.
16Хто хоче здержати її, той намагаєсь зʼупинити вітра, та сховати в руцї оливу, що дає знати про себе.
16De noordenwind is een ruwe wind, Toch wordt hij geluksbode genoemd
17Як залїзо гострить залїзо, так гострить чоловік зір друга свого.
17Zoals ijzer ijzer scherpt, Zo scherpt de ene mens den ander.
18Хто стереже свою фиґовину, той їсти ме фиґи з неї, а хто береже добра пана свого, той у добрій славі буде.
18Wie op zijn vijgeboom past, zal zijn vruchten eten; Wie voor zijn meester zorgt, wordt rijk beloond.
19Як у водї лице відбиваєсь до лиця, так само й серце чоловіче — до чоловіка,
19Zoals het ene gezicht op het andere lijkt, Zo lijkt ook het ene mensenhart op het andere.
20Ненаситня безодня й пекло, — оттак неситі й очі людські.
20Dodenrijk en onderwereld krijgen nooit genoeg; De ogen der mensen zijn nimmer bevredigd.
21Що огонь про срібло, про золото ж піч те про людину уста, що хвалять її.
21Voor het zilver de smeltkroes, de oven voor het goud: De mens wordt beproefd naar zijn goede naam.
22Товчи безумного так як зерно у ступі, — не вилущиш його з дурноти його.
22Al stampt ge den dwaas in een vijzel, Tussen de gerstekorrels met een stamper: Ge krijgt er zijn dwaasheid niet uit.
23Назирай пильно за скотом твоїм і май стараннє про череду твою;
23Let goed op, hoe uw schapen eruit zien, En volg uw kudde met aandacht;
24Добуток бо не на віки, бо й власть — чи ж вона переходить із роду в рід?
24Want welvaart duurt niet eeuwig, Een schat niet van geslacht op geslacht.
25Показується трава, виказуєсь зелень, та й збирають по горах сїна.
25Als het hooi binnen is, de nawas verschijnt, En het groen der bergweide wordt ingezameld,
26Ягнята дають тобі одежу, козли — за що купити поле.
26Dan verschaffen de lammeren u kleding, De bokken u de prijs van een akker;
27Доволї молока козиного на їжу тобі, на їжу родинї твоїй, та й на прожиток челядї твоїй.
27Dan is er geitenmelk genoeg tot voedsel van u en uw gezin, En levensonderhoud voor uw dienstboden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.