Приповісток 10
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Розумний син свойму отцеві втїха, а син безумний — материне горе.
1Spreuken van Salomon. Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader; Een kind, dat niet oppast, bezorgt zijn moeder verdriet.
2Не дають користї добра, неправдою набуті, правда же рятує од смертї.
2Oneerlijk verkregen rijkdom zal niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt uit de dood.
3Не дасть Господь голодувати правим, здобутки ж безбожних він їм вирве.
3Jahweh zal een rechtvaardige geen honger doen lijden, Maar de begeerlijkheid der bozen wijst Hij af.
4Біднїє, хто лїнивий на роботу, трудящая ж рука дає багацтво.
4Een vadsige hand kweekt armoe, De hand der vlijtigen maakt rijk.
5Хто лїтом жне, — се чоловік розумний; хто ж спить у жнива, той — чоловік безпутний.
5Wie in de zomer voorraad opdoet, is wijs; Wie in de oogsttijd slaapt, wordt beschaamd.
6Благословеннє над головою праведника, уста ж безбожника його насилство зацїпить.
6Zegen rust op het hoofd van den rechtvaardige, Maar geweld zal het gezicht der bozen bedekken
7Память про праведника остане благословенна, імя же безбожних огидне.
7De nagedachtenis van den rechtvaardige wordt gezegend, De naam der bozen vervloekt.
8Мудрий приймає серцем заповідї, а безумний устами спотикається.
8Wie wijs is van harte, neemt voorschriften aan; Wie dwaze dingen zegt, komt ten val.
9Хто ходить у правотї, ходить у безпецї; хто ж скривлює стежки, заслужить кару.
9Hij gaat veilig, die onberispelijk wandelt; Maar wie zich op dwaalwegen waagt, wordt betrapt.
10Хто моргає очима, розбуджує досаду, а глупий устами спотикнеться.
10Wie een oogje toedoet, veroorzaakt droefheid; Wie vrijmoedig terechtwijst, sticht vrede.
11Уста праведного — се джерело жизнї, уста же безбожних неправедність ховають.
11Een bron van leven is de mond van den rechtvaardige, De mond der bozen verbergt geweld.
12Ненависть сварнї роздуває, любов же всї гріхи покриває.
12De haat verwekt twist, Maar de liefde bedekt alle overtredingen.
13В устах розумного мудрість пробуває, на тїло ж безумного цїпок спадає.
13Op de lippen van een wijze vindt men wijsheid, Op de rug van een onverstandig mens dient de stok.
14Що мудрий знає, те він ховає, уста же дурного — се близька погибель.
14Wijzen houden de kennis voor zich, Maar de mond van een dwaas is een dreigend onheil.
15Багацтво — се утверджене місто багатиреві, а злиднї — се страх убогому.
15Het bezit is voor den rijke een sterke burcht, De armoede voor de behoeftigen een ongeluk.
16Праця праведного — для життя, надбаннє безбожника — на гріх.
16Wat een rechtvaardige verdient, strekt ten leven; Maar de winst van een boze tot zonde.
17Хто хоронить науку, той на дорозї до жизнї, хто ж відкидає докір, по бездоріжжу блудить.
17Wie de tucht in ere houdt, betreedt de weg ten leven; Wie vermaningen in de wind slaat, verdwaalt.
18Хто таїть ненависть, у того уста обманливі, а хто розсїває обмову, той дурний.
18Eerlijke lippen houden hatelijkheden binnen; Wie lasterpraatjes verspreidt, is een dwaas.
19Многомовність не встережесь гріха, хто ж здержує язика — розумен.
19In een vloed van woorden wordt licht een fout begaan; Wijs dus hij, die zijn lippen opeenknijpt!
20Очищене срібло — язик праведника, серце же безбожних — се покидь.
20Het fijnste zilver is de tong van een rechtvaardige, Het hart der bozen is weinig waard.
21Праведного уста навчають-пасуть многих, а дурні й мруть, не набравшись розуму.
21De lippen van een rechtvaardige kunnen velen leiden, Maar de bozen gaan aan hun onverstand dood.
22Господня благодать — вона богатим робить, і горя з собою не приносить.
22Het is de zegen van Jahweh, die rijk maakt; Eigen beslommering voegt er niets aan toe.
23Чинити зло — безумному забава, розумний же її у мудростї знаходить.
23Voor den dwaze is kwaaddoen een genot, Voor een man van inzicht het betrachten van wijsheid.
24За що безбожного страх обнимає, те його не мине, а праведних бажаннє сповниться.
24Wat de boze ducht, dat overkomt hem; Wat een rechtvaardige verlangt, wordt hem geschonken.
25Як буря пронесесь, так безбожного, немов на сьвітї й не було, а праведний — мов би на вічних підвалинах.
25Steekt er een storm op, dan is de boze verdwenen; Maar de rechtvaardige staat blijvend vast.
26Що оцет зубам а дим очам, те лїнивий тим, що послугуються ним.
26Azijn voor de tanden en rook voor de ogen, Dàt is de luiaard voor wie hem een boodschap laat doen.
27Господень страх днїв причиняє, безбожного ж лїта скоротяться.
27Het ontzag voor Jahweh verlengt het leven, Maar de jaren der bozen zijn kort.
28Дожиданнє праведних — радість, а надїя безбожних погибне.
28De hoop der rechtvaardigen eindigt in vreugde, De verwachting der bozen loopt uit op niets.
29Безвинному дорога Господня — твердиня, а страх беззаконникам.
29Jahweh is een steun voor wie onberispelijk wandelen, Maar een verschrikking voor allen, die kwaad doen.
30Праведний по вік не схитнеться, безбожники ж не пожиють на землї.
30De rechtvaardige zal in der eeuwigheid niet wankelen, De bozen zullen de aarde niet blijven bewonen.
31Праведного уста родять мудрість, язик же злющий буде витятий.
31De mond van een rechtvaardige brengt wijsheid voort, Maar een sluwe tong wordt uitgerukt.
32Праведного уста знають, що добре й гарне, уста же безбожних добро на зло перевертають.
32De lippen van een rechtvaardige weten wat welgevallig is, Maar de mond der bozen heeft slinkse streken.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.