Притчи Соломона 10
Synodal Translation (Синодальный перевод)Translation
Synodal Translation (Синодальный перевод)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Притчи Соломона. Сын мудрый радует отца, а сын глупый - огорчение для его матери.
1Spreuken van Salomon. Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader; Een kind, dat niet oppast, bezorgt zijn moeder verdriet.
2Не доставляют пользы сокровища неправедные, правда же избавляет от смерти.
2Oneerlijk verkregen rijkdom zal niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt uit de dood.
3Не допустит Господь терпеть голод душе праведного, стяжание же нечестивых исторгнет.
3Jahweh zal een rechtvaardige geen honger doen lijden, Maar de begeerlijkheid der bozen wijst Hij af.
4Ленивая рука делает бедным, а рука прилежных обогащает.
4Een vadsige hand kweekt armoe, De hand der vlijtigen maakt rijk.
5Собирающий во время лета - сын разумный, спящий же во время жатвы - сын беспутный.
5Wie in de zomer voorraad opdoet, is wijs; Wie in de oogsttijd slaapt, wordt beschaamd.
6Благословения - на голове праведника, уста же беззаконных заградит насилие.
6Zegen rust op het hoofd van den rechtvaardige, Maar geweld zal het gezicht der bozen bedekken
7Память праведника пребудет благословенна, а имя нечестивых омерзеет.
7De nagedachtenis van den rechtvaardige wordt gezegend, De naam der bozen vervloekt.
8Мудрый сердцем принимает заповеди, а глупый устами преткнется.
8Wie wijs is van harte, neemt voorschriften aan; Wie dwaze dingen zegt, komt ten val.
9Кто ходит в непорочности, тот ходит безопасно; а кто превращает пути свои, тот будет наказан.
9Hij gaat veilig, die onberispelijk wandelt; Maar wie zich op dwaalwegen waagt, wordt betrapt.
10Кто мигает глазами, тот причиняет досаду, а глупый устами преткнется.
10Wie een oogje toedoet, veroorzaakt droefheid; Wie vrijmoedig terechtwijst, sticht vrede.
11Уста праведника - источник жизни, уста же беззаконных заградит насилие.
11Een bron van leven is de mond van den rechtvaardige, De mond der bozen verbergt geweld.
12Ненависть возбуждает раздоры, но любовь покрывает все грехи.
12De haat verwekt twist, Maar de liefde bedekt alle overtredingen.
13В устах разумного находится мудрость, но на теле глупого - розга.
13Op de lippen van een wijze vindt men wijsheid, Op de rug van een onverstandig mens dient de stok.
14Мудрые сберегают знание, но уста глупого близкая погибель.
14Wijzen houden de kennis voor zich, Maar de mond van een dwaas is een dreigend onheil.
15Имущество богатого - крепкий город его, беда для бедных - скудость их.
15Het bezit is voor den rijke een sterke burcht, De armoede voor de behoeftigen een ongeluk.
16Труды праведного - к жизни, успех нечестивого - ко греху.
16Wat een rechtvaardige verdient, strekt ten leven; Maar de winst van een boze tot zonde.
17Кто хранит наставление, тот на пути к жизни; а отвергающий обличение - блуждает.
17Wie de tucht in ere houdt, betreedt de weg ten leven; Wie vermaningen in de wind slaat, verdwaalt.
18Кто скрывает ненависть, у того уста лживые; и кто разглашает клевету, тот глуп.
18Eerlijke lippen houden hatelijkheden binnen; Wie lasterpraatjes verspreidt, is een dwaas.
19При многословии не миновать греха, а сдерживающий уста свои - разумен.
19In een vloed van woorden wordt licht een fout begaan; Wijs dus hij, die zijn lippen opeenknijpt!
20Отборное серебро язык праведного, сердце же нечестивых - ничтожество.
20Het fijnste zilver is de tong van een rechtvaardige, Het hart der bozen is weinig waard.
21Уста праведного пасут многих, а глупые умирают от недостатка разума.
21De lippen van een rechtvaardige kunnen velen leiden, Maar de bozen gaan aan hun onverstand dood.
22Благословение Господне - оно обогащает и печали с собою не приносит.
22Het is de zegen van Jahweh, die rijk maakt; Eigen beslommering voegt er niets aan toe.
23Для глупого преступное деяние как бы забава, а человеку разумному свойственна мудрость.
23Voor den dwaze is kwaaddoen een genot, Voor een man van inzicht het betrachten van wijsheid.
24Чего страшится нечестивый, то и постигнет его, а желание праведников исполнится.
24Wat de boze ducht, dat overkomt hem; Wat een rechtvaardige verlangt, wordt hem geschonken.
25Как проносится вихрь, так нет более нечестивого; а праведник - на вечном основании.
25Steekt er een storm op, dan is de boze verdwenen; Maar de rechtvaardige staat blijvend vast.
26Что уксус для зубов и дым для глаз, то ленивый для посылающих его.
26Azijn voor de tanden en rook voor de ogen, Dàt is de luiaard voor wie hem een boodschap laat doen.
27Страх Господень прибавляет дней, лета же нечестивых сократятся.
27Het ontzag voor Jahweh verlengt het leven, Maar de jaren der bozen zijn kort.
28Ожидание праведников радость, а надежда нечестивых погибнет.
28De hoop der rechtvaardigen eindigt in vreugde, De verwachting der bozen loopt uit op niets.
29Путь Господень - твердыня для непорочного и страх для делающих беззаконие.
29Jahweh is een steun voor wie onberispelijk wandelen, Maar een verschrikking voor allen, die kwaad doen.
30Праведник во веки не поколеблется, нечестивые же не поживут на земле.
30De rechtvaardige zal in der eeuwigheid niet wankelen, De bozen zullen de aarde niet blijven bewonen.
31Уста праведника источают мудрость, а язык зловредный отсечëтся.
31De mond van een rechtvaardige brengt wijsheid voort, Maar een sluwe tong wordt uitgerukt.
32Уста праведного знают благоприятное, а уста нечестивых - развращенное.
32De lippen van een rechtvaardige weten wat welgevallig is, Maar de mond der bozen heeft slinkse streken.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.