Přísloví 10
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Syn moudrý obveseluje otce, ale syn bláznivý zámutkem jest matce své.
1Spreuken van Salomon. Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader; Een kind, dat niet oppast, bezorgt zijn moeder verdriet.
2Neprospívají pokladové bezbožně nabytí, ale spravedlnost vytrhuje od smrti.
2Oneerlijk verkregen rijkdom zal niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt uit de dood.
3Nedopustí lačněti Hospodin duši spravedlivého, statek pak bezbožných rozptýlí.
3Jahweh zal een rechtvaardige geen honger doen lijden, Maar de begeerlijkheid der bozen wijst Hij af.
4K nouzi přivodí ruka lstivá, ruka pak pracovitých zbohacuje.
4Een vadsige hand kweekt armoe, De hand der vlijtigen maakt rijk.
5Kdo shromažďuje v létě, jest syn rozumný; kdož vyspává ve žni, jest syn, kterýž hanbu činí.
5Wie in de zomer voorraad opdoet, is wijs; Wie in de oogsttijd slaapt, wordt beschaamd.
6Požehnání jest nad hlavou spravedlivého, ale ústa bezbožných přikrývají ukrutnost.
6Zegen rust op het hoofd van den rechtvaardige, Maar geweld zal het gezicht der bozen bedekken
7Památka spravedlivého požehnaná, ale jméno bezbožných smrdí.
7De nagedachtenis van den rechtvaardige wordt gezegend, De naam der bozen vervloekt.
8Moudré srdce přijímá přikázaní, ale blázen od rtů svých padne.
8Wie wijs is van harte, neemt voorschriften aan; Wie dwaze dingen zegt, komt ten val.
9Kdo chodí upřímě, chodí doufanlivě; kdož pak převrací cesty své, vyjeven bude.
9Hij gaat veilig, die onberispelijk wandelt; Maar wie zich op dwaalwegen waagt, wordt betrapt.
10Kdo mhourá okem, uvodí nesnáz; a kdož jest bláznivých rtů, padne.
10Wie een oogje toedoet, veroorzaakt droefheid; Wie vrijmoedig terechtwijst, sticht vrede.
11Pramen života jsou ústa spravedlivého, ale ústa bezbožných přikrývají ukrutnost.
11Een bron van leven is de mond van den rechtvaardige, De mond der bozen verbergt geweld.
12Nenávist vzbuzuje sváry, ale láska přikrývá všecka přestoupení.
12De haat verwekt twist, Maar de liefde bedekt alle overtredingen.
13Ve rtech rozumného nalézá se moudrost, ale kyj na hřbetě blázna.
13Op de lippen van een wijze vindt men wijsheid, Op de rug van een onverstandig mens dient de stok.
14Moudří skrývají umění, úst pak blázna blízké jest setření.
14Wijzen houden de kennis voor zich, Maar de mond van een dwaas is een dreigend onheil.
15Zboží bohatého jest město pevné jeho, ale nouze jest chudých setření.
15Het bezit is voor den rijke een sterke burcht, De armoede voor de behoeftigen een ongeluk.
16Práce spravedlivého jest k životu, nábytek pak bezbožných jest k hříchu.
16Wat een rechtvaardige verdient, strekt ten leven; Maar de winst van een boze tot zonde.
17Stezkou života jde, kdož přijímá trestání; ale kdož pohrdá domlouváním, bloudí.
17Wie de tucht in ere houdt, betreedt de weg ten leven; Wie vermaningen in de wind slaat, verdwaalt.
18Kdož přikrývá nenávist rty lživými, i kdož uvodí v lehkost, ten blázen jest.
18Eerlijke lippen houden hatelijkheden binnen; Wie lasterpraatjes verspreidt, is een dwaas.
19Mnohé mluvení nebývá bez hříchu, kdož pak zdržuje rty své, opatrný jest.
19In een vloed van woorden wordt licht een fout begaan; Wijs dus hij, die zijn lippen opeenknijpt!
20Stříbro výborné jest jazyk spravedlivého, ale srdce bezbožných za nic nestojí.
20Het fijnste zilver is de tong van een rechtvaardige, Het hart der bozen is weinig waard.
21Rtové spravedlivého pasou mnohé, blázni pak pro bláznovství umírají.
21De lippen van een rechtvaardige kunnen velen leiden, Maar de bozen gaan aan hun onverstand dood.
22Požehnání Hospodinovo zbohacuje, a to beze všeho trápení.
22Het is de zegen van Jahweh, die rijk maakt; Eigen beslommering voegt er niets aan toe.
23Za žert jest bláznu činiti nešlechetnost, ale muž rozumný moudrosti se drží.
23Voor den dwaze is kwaaddoen een genot, Voor een man van inzicht het betrachten van wijsheid.
24Èeho se bojí bezbožný, to přichází na něj; ale čehož žádají spravedliví, dává Bůh.
24Wat de boze ducht, dat overkomt hem; Wat een rechtvaardige verlangt, wordt hem geschonken.
25Jakož pomíjí vichřice, tak nestane bezbožníka, spravedlivý pak jest základ stálý.
25Steekt er een storm op, dan is de boze verdwenen; Maar de rechtvaardige staat blijvend vast.
26Jako ocet zubům, a jako dým očima, tak jest lenivý těm, kteříž jej posílají.
26Azijn voor de tanden en rook voor de ogen, Dàt is de luiaard voor wie hem een boodschap laat doen.
27Bázeň Hospodinova přidává dnů, léta pak bezbožných ukrácena bývají.
27Het ontzag voor Jahweh verlengt het leven, Maar de jaren der bozen zijn kort.
28Očekávání spravedlivých jest potěšení, naděje pak bezbožných zahyne.
28De hoop der rechtvaardigen eindigt in vreugde, De verwachting der bozen loopt uit op niets.
29Silou jest upřímému cesta Hospodinova, a strachem těm, kteříž činí nepravost.
29Jahweh is een steun voor wie onberispelijk wandelen, Maar een verschrikking voor allen, die kwaad doen.
30Spravedlivý na věky se nepohne, bezbožní pak nebudou bydliti v zemi.
30De rechtvaardige zal in der eeuwigheid niet wankelen, De bozen zullen de aarde niet blijven bewonen.
31Ústa spravedlivého vynášejí moudrost, ale jazyk převrácený vyťat bude.
31De mond van een rechtvaardige brengt wijsheid voort, Maar een sluwe tong wordt uitgerukt.
32Rtové spravedlivého znají, což jest Bohu libého, ústa pak bezbožných převrácené věci.
32De lippen van een rechtvaardige weten wat welgevallig is, Maar de mond der bozen heeft slinkse streken.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.