Ageus
Chapter 1

Ageus

Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ageus 1

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Léta druhého Daria krále, měsíce šestého, prvního dne téhož měsíce, stalo se slovo Hospodinovo skrze Aggea proroka k Zorobábelovi synu Salatielovu, knížeti Judskému, a k Jozue synu Jozadakovu, knězi nejvyššímu, řkoucí:
1In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand en op de eerste dag van de maand, werd het woord van Jahweh door den profeet Aggeus gericht tot Zorobabel, den zoon van Salatiël en landvoogd van Juda, en tot den hogepriester Jehosjóea, den zoon van Jehosadak:
2Takto dí Hospodin zástupů, řka: Lid tento praví, že nepřišel čas, čas, v němž by dům Hospodinův staven byl.
2Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Dit volk zegt: De tijd is nog niet gekomen, om de tempel van Jahweh te bouwen.
3Pročež stalo se slovo Hospodinovo skrze Aggea proroka, řkoucí:
3Maar het woord van Jahweh werd door den profeet Aggeus verkondigd:
4Jest-liž vám čas, abyste vy seděli v domích svých taflovaných, a dům tento pustý stál?
4Is het dan wel de tijd voor u, om in betimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis nog in puin ligt?
5Protož nyní takto praví Hospodin zástupů: Přiložte srdce své k cestám svým.
5Welnu, zo spreekt Jahweh der heirscharen: Let dan eens op, wat er met u is gebeurd!
6Sejete mnoho, a shromažďujete málo; jíte, ale nebýváte nasyceni; pijete, ale neuhašujete žízně; obláčíte se, ale žádný nemůže se zahříti; a ten, kdož sobě mzdu shromažďuje, shromažďuje ji do pytlíka děravého.
6Ge hebt veel gezaaid, maar weinig geoogst; ge hebt gegeten, maar werdt niet verzadigd; ge hebt gedronken, maar uw dorst niet gelest; ge hebt u gekleed, maar niet verwarmd; en de werkman kreeg zijn loon in een buidel zonder bodem.
7Takto praví Hospodin zástupů: Přiložte srdce své k cestám svým.
7Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Let eens op, wat er met u is gebeurd!
8Vstupte na tuto horu, a svezouce dříví, stavějte dům tento, i oblíbím sobě to, a budu oslaven, praví Hospodin.
8Gaat dus de bergen in, om hout te halen, en bouwt het huis; Ik zal er mijn vreugde en glorie in vinden, spreekt Jahweh!
9Patříte na mnoho, a aj, maličko jest, a což vnášíte do domu, já to rozdmychuji. Proč se to děje? dí Hospodin zástupů. I pro dům můj, že pustý jest, ješto vy jeden každý pečlivi jste o dům svůj.
9Ge hebt veel verwacht, maar weinig gekregen; ge hebt het binnen gesleept, maar Ik blies het weg. Waarom? is de godsspraak van Jahweh. Omdat mijn huis in puin ligt, terwijl gij allen u rept voor uw eigen huis.
10Protož zavřelo se nebe nad vámi, aby nedávalo rosy, země také zavřela se, aby nevydávala úrody své.
10Daarom weigerde de hemel u dauw;
11A tak zavolal jsem sucha na zemi tuto, a na tyto hory, i na obilé, i na víno, a na olej, i na to, což by měla vydávati země, i na lidi, i na dobytek, i na všecku práci rukou.
11daarom heb Ik een droogte ontboden over het land en de bergen, over koren en most, over olie en veldvrucht, over mensen en dieren, over al het werk uwer handen!
12I uposlechl Zorobábel syn Salatielův, a Jozue syn Jozadakův, kněz nejvyšší, i všickni ostatkové lidu hlasu Hospodina Boha svého, a slov Aggea proroka, poněvadž jej poslal Hospodin Bůh jejich; nebo se bál lid tváři Hospodinovy.
12Zorobabel, de zoon van Salatiël, en Jehosjóea de hogepriester, de zoon van Jehosadak, luisterden met al het overige volk naar de stem van Jahweh, hun God, en naar de woorden van den profeet Aggeus, welke Jahweh hem had gelast, tot hen te spreken. En het volk werd met vrees voor Jahweh vervuld.
13Tedy Aggeus posel Hospodinův mluvil lidu v poselství Hospodinovu, řka: Já s vámi jsem, praví Hospodin.
13Toen sprak Aggeüs, de gezant van Jahweh, in opdracht van Jahweh tot het volk: Ik ben met u, is de godsspraak van Jahweh!
14V tom vzbudil Hospodin ducha Zorobábele syna Salatielova, knížete Judského, a ducha Jozue syna Jozadakova, kněze nejvyššího, a ducha ostatků všeho lidu, a přišedše, dělali dílo v domě Hospodina zástupů, Boha svého.
14Zo prikkelde Jahweh de ijver van Zorobabel, den zoon van Salatiël en landvoogd van Juda, de ijver van Jehosjóea, den hogepriester en zoon van Jehosadak, de ijver ook van al het overige volk, zodat zij begonnen te werken aan het huis van Jahweh der heirscharen, hun God.
no verse 15 in this text
15Men begon op de vier en twintigste dag van de zesde maand, in het tweede jaar van koning Darius.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.