3 Janův 1
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Starší Gáiovi milému, kteréhož já miluji v pravdě.
1De présbuter aan den geliefden Cajus, dien ik waarachtig liefheb.
2Nejmilejší, žádámť obzvláštně, abys se dobře měl a zdráv byl, tak jako duše tvá dobře se má.
2Geliefde, ik bid, dat ge het in ieder opzicht goed moogt stellen en een goede gezondheid moogt genieten, evenals het u wèl gaat naar de ziel.
3Zradovalť jsem se zajisté velice, když přišli bratří a svědectví vydávali o tvé upřímnosti, vypravujíce, kterak ty v upřímnosti chodíš.
3Want ik heb me buitengewoon verheugd, wanneer er broeders kwamen en een goede getuigenis aflegden van uw waarheid, en van uw gedrag overeenkomstig de waarheid.
4Nemámť větší radosti, nežli abych slyšel, že synové moji chodí v upřímnosti.
4Ik ken toch geen groter vreugde, dan wanneer ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.
5Nejmilejší, věrně děláš, cožkoli činíš bratřím a hostem,
5Geliefde, ge handelt ook overeenkomstig uw geloof bij al wat ge doet voor de broeders, zelfs wanneer het vreemden zijn;
6Kteřížto svědectví vydali o lásce tvé před církví. Kteréžto vyprovodíš-li, tak jakž sluší na Boha, dobře učiníš.
6ze hebben dan ook in de Kerk uw liefde met lof vermeld. Ge zult goed doen, met hen ook verder voort te helpen, zoals het God behaagt;
7Neboť jsou pro jméno jeho vyšli, a nic nevzali od pohanů.
7want ze zijn op reis gegaan terwille van zijn Naam, en ze nemen niets van de heidenen aan.
8Mámeť tedy my takové přijímati, abychom byli pomocníci pravdy.
8We zijn dus verplicht, voor zulke mannen zorg te dragen, opdat we medewerkers mogen worden voor de Waarheid.
9Psal jsem sboru vašemu, ale Diotrefes, kterýž stojí o prvotnost mezi nimi, nepřijímá nás.
9Ik heb hierover aan de gemeente geschreven. Maar Diótrefes, die zo gaarne onder hen de eerste wil zijn, stoort zich niet aan ons.
10Protož přijdu-liť tam, připomenuť skutky jeho, kteréž činí, mluvě proti nám zlé řeči. A nemaje dosti na tom, i sám bratří nepřijímá, i těm, kteříž by přijímati chtěli, nedopouští, a ze sboru je vylučuje.
10Daarom zal ik bij mijn komst hem zijn daden onder het oog brengen. Want hij strooit boze praatjes over ons rond; en hiermee niet tevreden, neemt hij zelf de broeders niet op, en verhindert anderen, die het wèl willen doen, en werpt ze uit de kerk.
11Nejmilejší, nenásledujž zlého, ale dobrého. Kdož dobře činí, z Boha jest; ale kdož zle činí, nevidí Boha.
11Geliefde, volgt het kwade niet na, maar wèl het goede! Wie goed doet, is uit God; wie kwaad doet, heeft God nooit gezien.
12Demetriovi svědectví vydáno jest ode všech, i od samé pravdy; ano i my svědectví o něm vydáváme, a víte, že svědectví naše pravé jest.
12Over Demétrius is door allen een goede getuigenis afgelegd, ook door de Waarheid zelf; ook wij zelf getuigen het, en ge weet, dat onze getuigenis waarachtig is.
13Mnohoť jsem měl psáti, ale nechci psáti černidlem a pérem.
13Ik had u nog veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en met pen;
14Nebo mám naději, že tě tudíž uzřím, a ústy k ústům mluviti budeme.
14ik hoop u echter spoedig te zien, en dan zullen we spreken van mond tot mond. Vrede zij u! De vrienden groeten u. Groet de vrienden één voor één!
15Pokoj budiž tobě. Pozdravují tě přátelé. Pozdraviž i ty dobrých přátel ze jména.
no verse 15 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.